*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 79422 *** LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE. NO. 350 DE OPIUMSCHUIVERS. DE OPIUMSCHUIVER. DE OPIUMKIT. Het was vrij vol in de groote conversatiezaal van de Windsor Club in de Oxford Street op een warmen avond in het begin van den zomer. De breede ramen, die op den drukken verkeersweg uitzagen, stonden wijd open en daar door heen drong het geraas van de wereldstad naar binnen, duidelijk verneembaar nog, ofschoon de conversatiezaal op de vierde verdieping van het clubgebouw was gelegen en het reeds vrij laat in den avond was. Bij een dier ramen zaten twee heeren in een zacht gesprek met elkander verdiept die in uiterlijk niet veel op elkander geleken. De een kon ongeveer veertig jaar zijn en terzijde van het hoofd begon het volle haar reeds te grijzen. Zijn gelaat was krachtig geteekend, met energieke, scherpe trekken, de mond met de dunne lippen getuigde van een onverschrokkenheid, die voor niets terugdeinst, het hooge voorhoofd van een meer dan een gewoon verstand en de doordringende grijze oogen waren een welsprekend bewijs, dat hun bezitter een man was, die een onverzettelijke wilskracht paarde aan een scherp vernuft. De neus was flauw gebogen en bijzonder fraai besneden, het geheele lichaam getuigde van spierkracht en een drukke beoefening van de voornaamste takken der sport en de flauw afhellende schouders en de lange armen bewezen, dat de bokssport tot de voornaamste uitspanning behoorde van Lord William Aberdeen, de Vice-President van de Windsor Club. Hij had zijn lange gespierde beenen voor zich uitgestrekt en luisterde nu naar hetgeen zijn secretaris Charly Brand, die tegenover hem zat, op dit oogenblik zeide. Deze kon nauwelijks vijf of zesentwintig jaar zijn, hoogstens zeven en twintig, maar zijn gelaat was nog dat van een knaap, rond en blozend, met schitterende blauwe oogen. Natuurlijk waren de beide heeren in avondtoilet, zooals in Londensche clubs als ongeschreven wet is gesteld voor iedereen, die aanspraak maakt op den naam Gentleman. Charly Brand had uitgesproken, Lord Aberdeen had antwoord gegeven en nu keken de beide heeren een beetje lusteloos in het groote vertrek rond, waar de leden zachtjes met elkander spraken, of een tijdschrift doorbladerden. Maar nu ging de breede deur open, die naar de gang leidde, en er trad een nieuw lid binnen, die even als besluiteloos bleef staan en zich toen langzaam naar de leestafel begaf, waar hij zich in een stoel liet vallen, zoodat het licht van de groote electrische lampen vol op zijn gelaat viel. Hij was een man van een jaar of vijfenveertig, ofschoon zijn gebogen gestalte en zijn ingevallen gelaat met de holle oogen hem heel wat ouder deden schijnen. Lord Aberdeen wendde zijn gelaat naar den man, die zooeven was binnengekomen, keek hem eenige oogenblikken onderzoekend aan en zeide toen op zachten toon tot zijn secretaris: „Met den dag begint Jeffries Macmillan er slechter uit te zien!” „Ja, het is waarlijk om van te schrikken. En nog geen jaar geleden was hij blozend en opgewekt, een vriendelijk man, altijd goed gehumeurd. En zie hem nu eens, een wandelend lijk. De wangen geel en ingevallen, de oogen hol en met schitterenden glans, als van koorts, de schouders gebogen en met een mond, die steeds half open staat. Het is onbegrijpelijk, die verandering.” „Hij ziet er uit als een morfinomaan, of als een die misbruik maakt van cocaïne,” mompelde Lord Aberdeen, „en ik kan toch niet aannemen dat hij dat doet.” „Misschien knaagt er wel een geheim verdriet aan zijn ziel,” antwoordde Charly Brand. „Dan moet het wel zeer geheim zijn—de man heeft alles wat hij maar verlangen kan—lieve kinderen, rijkdom, een fraai huis!” „Hoe lang is zijn vrouw reeds dood?” „O, minstens tien jaren. Neen, daarover kan hij nu natuurlijk niet treuren, dat zou tegen de menschelijke natuur indruischen. Hij is ziek, maar aan welke ziekte hij lijdt, dat zou ik je niet kunnen zeggen, alvorens ik hem zelf eens onderzocht had.” De beide heeren bleven nog even naar den man kijken, die daar bijna onbewegelijk aan de leestafel zat, het hoofd in de hand gesteund, en met trage bewegingen nu en dan een blad omslaande. Toen Lord Aberdeen met een discreet gebaar de hand aan den mond bracht om een geeuw te onderdrukken zeide hij: „Kom Charly, laten wij iets anders gaan doen, deze zaal met haar ledepoppen zou mij dooddrukken!” Hij liet zijn stem tot een zacht gefluister dalen en vervolgde: „Heb jij geen lust om wat mede aan de kade te zwerven?” Het was zeker een zonderlinge uitnoodiging uit den mond van een Lord, maar zij scheen toch niet ongewoon te klinken in de ooren van den jongen secretaris, want hij antwoordde aanstonds even zachtjes: „Ik ben gaarne tot je dienst, Edward, want ik bemerk, dat je weer een weinig verstrooiing noodig hebt!” „Laten wij dan spoedig naar huis gaan en ons verkleeden.” De beide heeren stonden op, wandelden langzaam de conversatiezaal door, daalden met de lift naar de vestibule af, lieten zich daar hun overjassen en hoofddeksels geven en traden naar buiten. Zij wachtten tot er een onbezette huurauto voorbijreed, wenkten den chauffeur en stapten in, nadat Lord Aberdeen den man een adres had opgegeven. Na een rit van ongeveer drie kwartier stond de auto ongeveer halverwege in de Victoria Street stil. De beide heeren stapten uit, de secretaris betaalde den chauffeur en daarop liepen zij de straat nog ongeveer honderd meter verder in, sloegen een dwarsstraat in en traden toen door een zijdeur een oud huis binnen. De oudste der beide heeren had deze deur geopend met behulp van een sleutel, welken hij in zijn binnenzak scheen te bewaren. Charly Brand draaide den schakelaar van het electrische licht om en beide heeren beklommen de trap naar de eerste verdieping, waar zij een vrij ruim vertrek binnenkwamen. Lord Aberdeen sloot de deur, wierp zijn overjas uit en zeide, terwijl hij zijn armen rekte: „Ziezoo, voor eenigen tijd werp ik het masker weer eens van mij af. Lord Aberdeen kan naar den duivel loopen—hier staat Raffles, die op avontuur uitgaat!” Ja, daar in het midden van de kamer, zijn krachtige ledematen uitstrekkend, stond de Groote Onbekende in eigen persoon, John Raffles, de langgezochte vijand van Scotland Yard, de gentleman-inbreker, op wiens aanhouding nog altijd een premie van Duizend Pond Sterling was gesteld, maar die nog nooit opgevorderd had kunnen worden. „Wat is eigenlijk je plan voor vanavond?” vroeg Charly Brand, zijn trouwe vriend, die zich eveneens reeds van zijn bovengoed ontdaan had. „Je weet wel, dat ik nooit een vast plan heb, wanneer ik zoo eensklaps een van onze nachtelijke wandelingen ga ondernemen,” antwoordde Raffles. „Wij zullen wel zien, waar het lot ons brengt. Wij kunnen wat naar Hounsditch gaan of naar het East End, of naar de dokken, het kan mij niet schelen, als ik maar eens wat anders te zien krijg dan de vervelende, uitgestreken facies van mijn waarde medeleden van de Windsor Club.” Onder het spreken had hij snel zijn rok uitgeworpen, het witte satijnen vest losgeknoopt en zijn boord afgedaan. Charly Brand was intusschen op een stoel geklommen, welke hij voor den schoorsteenmantel had gezet en drukte nu op een krul in den hoek van een monumentalen spiegel die er boven hing. Aanstonds draaide het gevaarte om een onzichtbare as en maakte aldus den toegang vrij tot een soort kast, beter gezegd een klein vertrek, waarvan de wanden in het middengedeelte letterlijk vol hingen met honderden stellen kleeren en uniformen, die allen keurig waren gerangschikt en genummerd. Op de planken langs de wanden stonden groote kartonnen doozen, die eveneens waren genummerd en die hoofddeksels, pruiken en andere benoodigdheden bevatten. „Wat moet het zijn?” vroeg Charly, met den voet reeds op den schoorsteenmantel. „Geef maar een of anderen arbeider. Een baliekluiver of zoo. Maar als je juist toevallig je hand op een matroos of een schipper legt, is het ook goed. Men kijkt daarginds zoo nauw niet!” Charly was nu het eigenaardige insteekvertrekje binnengegaan, en met behulp van een klein register, dat hij van een plank nam, had hij spoedig genomen wat er noodig was. Met eenige kleedingstukken over zijn eenen arm, en een doos onder den anderen kwam hij het vertrekje uit, stapte op den stoel, en deed den spiegel weder op zijn oude plaats terug draaien, door hem eenvoudig als een deur dicht te duwen. Raffles had zich reeds voor een soort kaptafel gezet, en begon nu zijn gelaat een grondige verandering te laten ondergaan. Met een dunne, bijna vloeibare zalf, veranderd hij de gedistingeerde bleeke kleur van zijn gelaat in een steenrood, zooals lieden dat vertoonen, die bijna hun geheele leven aan boord van een schip op de zoute baren doorbrengen. Onder de kin kwam een dun, haveloos baardje en de wenkbrauwen werden ruig en dik. Een pruim, voorgesteld door een groot stuk kauwgom, vulde de rechterwang en het hoofdhaar verdween tenslotte onder een voortreffelijk nagemaakte pruik. Met een doezelaar, gedoopt in een kleurlooze stof, die echter dadelijk een grijze tint verkreeg, zoodra zij aan de buitenlucht werd blootgesteld, trok Raffles daarop de rimpels en lijnen op zijn gelaat die er een geheel andere uitdrukking aan gaven. En eindelijk werden de oogleden rood omrand en werd een der mondhoeken omlaag getrokken door middel van een pleister, die daarna eveneens met een kleurmiddel werd gekleurd. Ook Charly had zich vermomd, en zijn dik, blond haar was nu geheel onzichtbaar, daar het schuil ging onder een pruik van dik, zwart haar, sluik en vet. Lang geleden waren al deze pruiken voor Raffles gemaakt door een Japanner, een werkelijk kunstenaar in zijn vak, en zij hadden slechts weinig gemeen met de gewone tooneelpruiken, waarmede pas beginnende detectives zich beginnen uit te dossen—vooral op de film! Zij waren zoo uitstekend passend gemaakt en zoo natuurgetrouw, dat men zelfs bij nauwkeurige beschouwing het bedrog niet kon ontdekken. Slechts een zeer harde ruk aan het valsche haar zou dit aan het licht hebben gebracht. Nu waren de beide vrienden gereed, na ongeveer een half uur aan hun kleeding te hebben besteed en wie hen zooeven had zien binnengaan, zou nimmer hebben kunnen gelooven, dat die twee ruwe arbeiders dezelfde personen waren, die een half uur geleden als deftige heeren waren binnengetreden. Het was omstreeks tien uur, toen Raffles en Charly, na hun eigen kleederen zorgvuldig te hebben verborgen, het huis weder verlieten—maar thans door een anderen uitgang. Het was zoel buiten, de maan stond helder aan den hemel, en overgoot de wereldstad met haar zilveren licht. Raffles en Charly hadden spoedig een huurauto gevonden, die hen naar den anderen oever van de Theems zou brengen, naar Rotherhithe, waar de dokken zijn. De chauffeur had eerst zijn passagiers eens aangekeken, en toen maakte hij de even lakonieke als voor het uiterlijk van de beide mannen vleiende opmerking: „Centen en fooi vooruit!” „Dat noem ik taal,” zeide Raffles met een echten zeemansvloek er bovenop. „Hij laat zich tenminste de kaas niet van het brood eten. Maar weet je nu wel precies, hoe lang de weg daarheen is, vadertje?” „O ja! En als ik mij vergis, kan het alleen maar in jullie voordeel zijn. En nu de centen!” Raffles betaalde pruttelend, en gaf den man een shilling fooi, hetgeen deze met een verachtelijk neus-ophalen begroette. Het was goed, dat de afstand niet zeer groot, en het uur onvoordeelig was, daar de schouwburgen pas over een uur zouden uitgaan, anders zou de man de beide arbeiders eenvoudig hebben laten staan. Nu nam hij hen in genade aan, en binnen twintig minuten stond de auto stil aan het begin van Rotherhithe Wall. Het bleek, dat hij den afstand op een honderd meter na nauwkeurig had geschat. De twee vrienden stapten uit, en de auto reed weder weg. Raffles en Charly bevonden zich hier midden in het hartje van de beruchte havenbuurt, waar het dag aan dag wemelt van matrozen uit alle oorden der wereld—Grieken en Hollanders, Franschen en Italianen, Spanjaarden en Chileenen, Japanners, Indiërs, Denen, Zweden, Amerikanen, Argentijnen, Brazilianen. Maar vooral de Chineezen schenen hier zeer talrijk vertegenwoordigd te zijn, minder als matrozen dan wel als stokers, maar vooral als winkel- en kroeghouders. Het aantal drankhuizen in deze buurt was verbazend groot, en men kon zonder vrees voor overdrijving zeggen, dat ieder derde huis een kroeg was. En de opschriften waren niet alleen in het Engelsch, maar men vond daar bijna alle talen ter wereld vereenigd op de groezelige uithangborden. Want het liefst togen de matrozen, die hier eenige dagen moesten wachten op het lossen hunner schepen, in de kroegen, die door hun eigen landslieden bij voorkeur werden bezocht en ook meestal bestuurd. De drukte van den arbeid was nu geluwd en men hoorde niets meer van het oorverdoovend geknars der reusachtige stoomlieren, het daveren der rangeerlocomotieven over rails, het dreunend geweld van de ijzeren staven, die uit de ruimen der vrachtschepen op de kade werden neergelaten, het geschreeuw der sjouwers, het gegil der stoomfluiten, en het geraas der talrijke stoommachines die de hijschkranen bedienden. Maar daarvoor in de plaats was het getal der dronken matrozen, het gekerm der harmonica’s, het getoeter der draaiorgels in de danshuizen, het gegil der deernen in de verdachte huizen gekomen. Charly en Raffles slenterden langzaam de breede kade af, die Rotherhithe Wall heet. Zij liepen tot Albion Road, sloegen die straat in, en drentelden langs Depthforth Road, tot zij een groot stuk van de lus hadden afgesneden die de Theems hier maakt, en nu weder de kade bereikten, op een geheel ander punt, en na het gebied der dokken dwars te zijn overgestoken. Het was hier zeer duister en stil, en slechts nu en dan ontwaarde men een vage gedaante, of soms twee—een man en een vrouw—als aasgieren die op een prooi loerden. En Raffles en Charly hadden een gevoel van veiligheid, dat zij zich goed gewapend en met zijn beiden wisten. Het was bij twaalven, toen zij Commandants Dock Pier bereikten. Hier begonnen de huizen en vooral de kroegen weer. Maar zij stonden tamelijk ver uiteen, tenminste aan de kade zelve. De twee vrienden sloegen de straat in, die recht op de pier aanloopt, en stonden bij de eerste dwarsstraat even stil om elkander met een veelzeggenden glimlach aan te kijken. Het was de Thames Street, een armoedige straat, met lage huizen, armoedig en vervallen. „Hier was het, Charly!” zeide Raffles zachtjes. „Daar is de opiumkit, het geheime hol, waar ongelukkige menschen zich overgeven aan de ellendige gewoonte van het opiumschuiven!” „Ja, hier hebben wij, jaren geleden, dat gevaarlijke avontuur gehad—en als Henderson, je trouwe reus van een chauffeur, toen niet zoo krachtig was opgetreden, dan stonden wij misschien nu niet hier!” „Dat geloof ik ook. Men ziet in deze sombere buurt niet op een moord, en als de Theems spreken kon, dan zou zij veel gruwelijke verhalen kunnen doen!” De twee mannen wilden reeds verder gaan, toen zij haastig moesten terzijde springen voor een auto, die in snelle vaart de Thames Street inzwenkte. Het was een gewone huurauto, maar haar verschijning in deze ellendige buurt mocht metterdaad verwondering baren. Nu stond het voertuig stil, op nauwelijks twintig schreden afstand van de beide mannen, die onwillekeurig waren blijven stilstaan op den hoek van de dwarsstraat. „Kijk, de auto staat juist voor de geheime opiumkit stil,” zeide Raffles op zachten toon. „Ja—en er stappen twee heeren uit—in avondtoilet.” „En—en—wat is dat nu? Een van die heeren..” Hij voltooide den zin niet, maar trok Charly snel in de schaduw van een vooruitspringend stuk muur. „Wie was het?” vroeg Charly nieuwsgierig. „Jeffries Macmillan!” „Kom, je moet je vergist hebben,” zeide Charly verschrikt. „Ik zeg je, dat hij het was! Het licht van de lantaarn boven de deur van de opiumkit viel juist op zijn gezicht. Laten wij naar binnen gaan. Ik wil weten wat hier gebeurt. Helaas—nu weet ik, waarom het uiterlijk van dien ongelukkige in den laatsten tijd zoo vreeselijk verminderd is. Macmillan is een hartstochtelijke opiumschuiver.” „Wie zou de andere man zijn?” „Dien ken ik niet—misschien een vriend—maar zeker iemand, die al even zeer aan de opium verslaafd is. Kom nu mede—en laten wij onze rol goed spelen!” „Zal de Chinees, die de kit houdt, ons wel toelaten?” „Waarom zou hij niet, als wij hem geld geven?” „Vooruit dan maar!” DEMON OPIUM. Raffles en Charly richtten hunne schreden naar het vervallen, ongeloofelijk smerige huis, boven welks deur een lantaarn met gele ruiten bengelde. Naast het huis was een smalle gang—en daar waren de twee heeren zooeven binnengegaan. Het huis zelf was een kroeg, en daarbinnen klonken ruwe dronkemansstemmen. De twee gewaande kadewerkers gingen de gang binnen, maar zij hadden nog geen tien stappen gedaan, of voor hen verrees geruischloos uit de schaduw een gedaante die hun den weg scheen te versperren. Het was een Chinees in de kleeding van zijn land, met een verbazend langen staart, en een smal, aapachtig gelaat. Hij vroeg in goed Engelsch: „Wat verlangt gij hier?” „Vraag je dat nog, gele aap?” was de op ruwen toon geuite wedervraag van Raffles. „Ik ben op de hoogte hoor. Daar heb je een halve souvereign—en breng ons nu maar eens gauw naar—je weet wel waar!” De Chinees grijnsde op het hooren van deze woorden en liet het goudstuk snel in zijn wijden zak glijden. Hij boog handenwrijvend als een knipmes en zeide: „Ga dan maar mede met uwen zoon, vreemdelingen. Hij zal u naar de plek brengen, waar gij hemelsche genietingen zal smaken.” De drie mannen liepen den smallen doorgang tusschen de twee huizen geheel teneinde en bereikten nu een soort binnenplaats, flauw verlicht door een lantaarn, die haar schijnsel wierp op een lage deur boven een drietal treden. Raffles en Charly wisten hier even goed den weg als in hun eigen huis, maar zij moesten zich houden, alsof zij hier voor de eerste maal kwamen, teneinde geen argwaan te wekken. De Chinees klapte driemaal in de handen en daarop zei hij grijnslachend: „Nu is de deur open en gij kunt binnengaan, vreemdelingen! Li Hung wenscht u een voorspoedige reis door het Onbekende!” En dadelijk daarop was hij verdwenen alsof hij door den grond gezonken was, om zijn post bij het begin van de gang weder te gaan betrekken. Raffles en Charly traden binnen, na de deur te hebben opengestooten. Zij stonden in een soort portaal, aan het einde daarvan bevond zich een tweede deur. Ook deze konden zij ongehinderd openen—en nu stonden zij in de eigenlijke opiumkit. Het was een groot vertrek maar de uiterste hoeken waren volkomen duister, want er brandden slechts eenige kaarsen, die op verschillende plaatsen waren neergezet. Ook hingen er eenige gekleurde lampions aan de zoldering, maar deze gaven zoo goed als geen licht. Hier en daar stonden versleten sofa’s, walgelijk vet en smerig, en daarop waren beweginglooze gedaanten uitgestrekt. Dat waren de ongelukkige die reeds onder den invloed van het giftige heulsap waren, en vertoefden in een hemelsch gebied, waarvan zij verslapt, uitgeput en ontdaan zouden terugkeeren. Langs de wanden stonden breede rustbanken, en daarboven was een tweede rij van die banken aangebracht, op de wijze van kribben aan boord van een schip. Ook deze banken waren voor het grootste gedeelte bezet. Een oude Chinees, met een gelaat, gerimpeld als oud perkament, liep bedrijvig maar volkomen geruischloos door het vertrek, om de schuivers hun pijpen aan te reiken. Een andere Chinees, waarschijnlijk een bediende, liep met glazen brandwijn en arak af en aan. Er hing een weeë, zoetige lucht in het vertrek, en een blauwachtige nevel vulde het, teweeggebracht door den rook uit de talrijke pijpen. Maar ondanks de heerschende schemering in de kamer hadden Raffles en Charly dadelijk Jeffries Macmillan ontdekt, die zich reeds op een rustbank had uitgestrekt. De andere heer zat op een lagen stoel naast hem en scheen geen aanstalten te zullen maken, om ook te gaan schuiven. Hij keek slechts toe, hoe de eigenaar der opiumkit, Pah Wung, alles gereed maakte. Hij plaatste een laag tafeltje naast de rustbank, en zette daarop een klein comfoor, dat met een rustige blauwachtige vlam brandde. Vervolgens bracht hij de opiumpijp, met den langen steel en den ronden kop met het kleine ondiepe gat, bestemd om er opium op te leggen. Daarop draaide hij een soort pil van het verfoeilijke kruid, dat hij in een kleinen bak had meegebracht, en legde die op de opening van de pijp, waarna hij het voorwerp in de hand van Macmillan legde. Deze hief zich half op, bracht het balletje opium in aanraking met de vlam van het comfoor, deed een paar krachtige halen, en liet zich toen weder achterover vallen. Nog driemaal moest de Chinees zijn pijp van een opiumballetje voorzien en toen pas bleef de schuiver onbewegelijk liggen, met glasachtige oogen, en den mond half geopend. Raffles en Charly hadden van dit tooneeltje, dat slechts kort had geduurd, niets gemist, ofschoon zij zich ook hadden gehouden, alsof zij hun pijp hadden leeggerookt. Zij lagen beide op dezelfde breede bank, en konden alles zien, wat er daarginds voorviel. De metgezel van Macmillan had niet zelf gerookt, en slechts een glas whisky gedronken. Zooals hij daar zat, juist onder een der lampions konden de twee vrienden hem goed opnemen. Hij kon ongeveer veertig jaar zijn, misschien iets ouder, ofschoon zijn haar gitzwart was. Hij had een smal en bleek gezicht, hetgeen de donkere holten van zijn oogen nog meer deed uitkomen. Merkwaardig waren zijn wenkbrauwen. Zij waren buitengewoon lang, zeer zwart, en liepen van den neuswortel langzaam omhoog, tot ver op de slapen. Dit verleende aan zijn gelaat een zonderling sombere uitdrukking. Hij zat doodstil en verroerde zich alleen maar even, om nu en dan zijn glas aan zijn lippen te brengen. Maar nu stond hij op en wisselde op fluisterenden toon eenige woorden met den Chinees Pah Wung. Daarop trok hij zijn regenmantel dicht om zich heen, wierp nog een blik op den man, dien hij hierheen vergezeld had, en verliet het vertrek. „Hem na, Charly,” fluisterde Raffles zachtjes. „Wij moeten zien, waar die man met zijn Mephisto-kop blijft!” En tot niet geringe verbazing van den Chinees sprongen de twee schuivers van hun rustbank, blijkbaar zoo frisch als men maar verlangen kon, en betaalden wat zij schuldig waren. „Wij komen denkelijk nog terug,” zeide Raffles, terwijl hij den Chinees een extra geldstuk in de hand drukte. Even later stonden de twee vrienden weder in den smallen doorgang, waar zij nog de voetstappen hoorden van den bleeken man, die zich verwijderde. Zijn auto scheen te hebben gewacht, want hij stapte dadelijk in den wagen en reed weg. Maar toch niet vlug genoeg of Raffles en Charly hadden kans gezien, achter op de veeren te springen. Snel reed de huurauto langs de kade, tot aan een der bruggen en stak die over. De ongelukkige houding op het achterstel van de auto vermoeide de mannen niet weinig, maar zij hielden vol, en hun geduld werd eindelijk beloond. De auto hield stil voor een huis in de Cromwell Street, en Raffles en Charly hadden maar juist even den tijd, van de veeren te springen en zich te verbergen in een groot portiek. De man met het bleeke gezicht stapte uit, betaalde den chauffeur, en haalde een huissleutel uit zijn zak. En terwijl de auto wegreed, zagen de beide vrienden, hoe de metgezel van Macmillan het huis binnenging, waar hij klaarblijkelijk woonde. Zoodra er eenige minuten verloopen waren, kwamen zij uit hun schuilplaats te voorschijn en begaven zich naar de straatdeur, waardoor zij den man met het bleeke gelaat hadden zien verdwijnen. Maar een teleurstelling wachtte hun, want, er stonden verscheidene namen op de deurpost. Raffles noteerde ze echter alle, schreef ook het nummer van het huis op—en daarop wachtten de beide vrienden geduldig, totdat een andere huurauto zou komen opdagen, die hen weder naar de Thames Street zou terugbrengen. Het was bijna half vijf in den nacht, toen zij opnieuw de opiumkit binnentraden. Bijna alle opiumschuivers waren nog altijd aanwezig. Men zag daar tremmers van groote transatlantische schepen, zoowel als heeren in den rok, matrozen, maar vooral veel Chineezen. Jeffries Macmillan lag nog altijd op de rustbank uitgestrekt, onbewegelijk, met starre oogen, die naar de zoldering gericht schenen. Maar juist toen Raffles en Charly waren binnengetreden, kwam er beweging in hem. Een rilling liep over zijn gelaat, er kwam meer glans in de schijnbaar uitgedoofde oogen, de mond scheen naar lucht te snakken en toen richtte de ongelukkige zich langzaam op, keek even wezenloos voor zich heen, veegde zich met een half onbewust gebaar het klamme zweet van de slapen en nam toen in zittende houding op de rustbank plaats. „Als de man dat nog een paar maanden op dezelfde wijze volhoudt—dan zal hij rijp zijn voor een sanatorium—om het woord gekkenhuis maar niet te gebruiken!” zeide Raffles zachtjes. „Het is zeer wel mogelijk, dat hij zelfs nu niet meer te redden is, want als eenmaal de opium haar vernietigende uitwerking op lichaam en hersens heeft kunnen volbrengen, dan blijft de aangetaste zijn geheele leven een sukkelend en minderwaardig individu.” Macmillan was nu wankelend opgestaan, zocht tastend naar zijn hoed, en stak toen de hand in den zak, om zijn beurs te voorschijn te halen en den Chinees te betalen. „En te bedenken, dat die man twee dochters heeft, voor wie hij nog moet zorgen, en die nauwelijks den huwbaren leeftijd hebben bereikt!” zeide Charly hoofdschuddend. „Ja, het is heel erg en ik zou wel eens willen weten wat die man met zijn bleek gezicht bezielt, om Macmillan op de tochten te vergezellen, terwijl hij toch zelf blijkbaar geen opiumschuiver is! Kom—wij zullen hem eens volgen—of heb je slaap?” „In het geheel niet, Edward—wij kunnen immers onze schade wel inhalen!” Macmillan had de opiumkit verlaten en met wankelende schreden liep hij nu door de straat, waar het daglicht reeds scheen. Hij bereikte de kade, volgde deze, maar stond nu en dan stil, teneinde zijn hoed af te nemen en zich zachtjes kreunend over het hoofd te strijken, alsof hij iets wilde verwijderen dat hem drukte. Het duurde wel een half uur, voor Macmillan tenslotte ter hoogte van de Adam Street een huurauto aantrof. Het scheen geruimen tijd te duren, alvorens Macmillan met den chauffeur tot overeenstemming kon komen en daarvan hadden Raffles en Charly gebruik gemaakt, op hun beurt een auto aan te roepen en den chauffeur last te geven het andere voertuig te volgen. De rit begon on bijna een uur later hield de huurauto, waarin Macmillan had plaats genomen, stil voor een fraai huis in Portland-Place. Raffles boog zich uit het portier, vanwaar hij het raampje had laten zakken, en zag hoe Macmillan met zijn chauffeur afrekende en daarop het huis binnenging. „Hier woont hij immers?” vroeg Charly. „Ja, Macmillan is zeer rijk en dit huis moet hem toebehooren. Maar wat zal hij aan al dat geld hebben als hij doorgaat op deze wijze zijn gezondheid onherstelbaar te schaden? Rijd nu naar de Regent Street, chauffeur,” zoo wendde hij zich tot den man achter het stuurwiel, „en houd stil op den hoek Beak-Street.” Twintig minuten later stapten de beide vrienden uit, Raffles betaalde den chauffeur en daarop liepen zij snel een honderdtal stappen verder, gingen een zijstraat in, waar zich nooit een levende ziel vertoonde en die aan eene zijde begrensd werd door den blinden muur van een groote fabriek, en, aan de andere door den muur van den tuin achter het groote huis van John Raffles. Zij gingen dezen tuin door een kleine deur binnen en bevonden zich even later in de kleine eetzaal, waar Charly handig een en ander gereed zette, want de beide vrienden hadden geen gelegenheid gehad om iets te nuttigen, meegesleept als zij waren door hun nieuwsgierigheid. Wat brood en kaas, een paar vruchten en een glas wijn, waren echter voldoende om hun honger te stillen. „Ik gaf er heel wat voor, als ik wist, wie de man was met dien bleeken saterkop,” begon Charly. „Dat zullen wij spoedig genoeg vernemen, mijn jongen! In ieder geval is hij zeker geen vriend van Jeffries Macmillan—want een vriend, die zelf weerstand kan bieden aan de verleiding van de opiumkit, en die toch een ander rustig zich laat bedwelmen, dat is een zeer zonderlinge vriend. Maar hoe dan ook, ik wil alles in het werk stellen, om Macmillan weder te bevrijden van den afschuwelijken hartstocht, die hem lang voor zijn tijd ten grave zal slepen. Hoe is het mogelijk, dat zulk een bekwaam, zulk een hoogstaand man, hiertoe kon vervallen!” „Het zal de eerste pijp geweest zijn, half en half voor de grap gerookt!” gaf Charly hoofdschuddend te kennen. „Ja, en toen zal hij niet sterk genoeg geweest zijn weerstand te bieden aan de verleiding om een tweede, een derde, steeds meer pijpen te gaan rooken. Maar nu gaan wij slapen, Charly—het is meer dan tijd. Morgen echter wil ik nagaan, welke betrekkingen er bestaan tusschen Macmillan en dien man met zijn bleek satansgezicht, die hem hedennacht naar de opiumkit vergezeld heeft en hem daar rustig aan zijn lot overliet om kalm naar huis te gaan!” OOM EN NEEF. Het was ver over het lunchuur, toen Charly dien dag ontwaakte, snel een bad nam en zich naar de eetkamer begaf—slechts om uit den mond van den ouden Gaston, den kamerbediende van Lord Aberdeen te vernemen, dat deze reeds een uur te voren was uitgegaan. „Die man is van staal,” bromde Charly voor zich heen. „Hij kan ternauwernood vier uur geslapen hebben. Ik geloof, dat hij niet weet, wat vermoeienis is!” Hij nam een blad van het stapeltje, hetwelk Gaston zooeven had binnengebracht, legde het naast zijn bord en begon in eenzaamheid te lunchen, terwijl hij zich den tijd kortte met het doorlezen van de stadsberichten. Juist toen hij gereed was, trad Raffles het vertrek binnen. Zijn gelaat had een ernstige uitdrukking. „Neem mij niet kwalijk, Charly, dat ik je alleen heb laten lunchen—ik werd vroeg wakker, kon den slaap niet meer vatten en ben toen maar opgestaan, om eens op onderzoek uit te gaan.” „En heeft je dat onderzoek iets opgeleverd?” „In zekeren zin wel. Door een weinig handig te vragen, ben ik er achter gekomen, wie de man is met het bleeke gezicht, die gisteren Macmillan vergezelde. Hij heet George Spider, hij is een jaar of veertig, misschien twee en veertig; hij is tamelijk welgesteld, ongehuwd, of liever weduwnaar en hij woont pas een half jaar in dat huis, waar wij hem gisteren zagen binnengaan—een duur pension. Een bepaalde bezigheid schijnt hij er niet op na te houden—hij moet van een kleine lijfrente leven, of van het geld, dat zijn vrouw hem heeft nagelaten.” „Heb je hem zelf nog gezien?” „Ja, hij ging net de deur uit, toen ik in de verte aankwam.” „Heeft je dat alles nu veel verder gebracht?” „Niet in het minst. Maar ik weet nu tenminste zijn naam—en dat zal naderhand misschien van nut kunnen blijken te zijn.” „Je schijnt veel belang te stellen in deze zaak?” „Slechts in zooverre, dat ik gaarne Macmillan van zijn hartstocht zou willen genezen—als het nog tijd is.” „Alleen terwille van zijn beide lieve kinderen zou ik je graag daarin terzijde willen staan Edward!” riep Charly uit. „Het is een vreeselijk denkbeeld, dat die twee meisjes een opiumschuiver tot vader zouden hebben—want ik geloof niet, dat zij behalve hem nog familie hebben, tenminste geen naverwanten.” „Wat wij er aan doen kunnen, dat zullen wij doen,” zeide Raffles vastberaden. „Wij zullen beginnen hem te overtuigen van den ellendigen invloed, die het opiummisbruik heeft.” „Hij zal er natuurlijk niet voor uit durven komen, Edward!” „Dat zal hij wel moeten, als wij zeggen, dat wij hem gezien hebben.” „Maar dat kunnen wij toch niet!” riep Charly verschrikt uit. „Daardoor zou toch immers dadelijk aan het licht komen, dat wij ons vermomd moeten hebben. Het is toch niet aan te nemen, dat Lord Aberdeen zich naar een opiumkit begeven zou?” „Neen, maar hij kan het van anderen gehoord hebben,” hernam Raffles kalm. „Nog hedenavond wil ik met Macmillan spreken, en kleed je nu aan—ik heb lust om een rijtoer te maken.” Een half uur later zaten de beide vrienden te paard, maakten een langen toer en keerden weder naar het groote huis in de Regent Street terug, om hun rijcostuum uit te trekken en zich te kleeden voor het diner. Zij zouden dien avond in de club dineeren en vandaar naar een schouwburg gaan om een paar bedrijven te zien van „De Koopman van Venetië,” waarin een nieuwe veel belovende tooneelspeler zou debuteeren. Maar juist toen zij waren opgestaan en uit de restauratiezaal de biljartkamer binnentraden, zagen zij daar Jeffries Macmillan staan, die zich gereed maakte om met een ander lid van de Club een partij te gaan spelen. Zijn oogen stonden hol, er waren groote blauwe wallen onder, en zijn houding scheen dieper gebukt te zijn dan ooit terwijl er een droge kuch nu en dan naar zijn lippen drong. Raffles bedacht zich geen oogenblik, maar trad op Macmillan toe, tikte hem vriendschappelijk op den schouder en zeide op zachten toon: „Zoudt gij om mijnentwille uw partij niet een half uurtje willen uitstellen, waarde Macmillan? Ik zou u gaarne even willen spreken.” De aangesprokene keek Raffles eenigszins verbaasd aan, maar hij zette dadelijk zijn queue weg en antwoordde: „Ik ben natuurlijk aanstonds tot uw dienst, Mylord!” „Zoudt gij mij dan even naar mijn particulier spreekvertrek willen vergezellen.” „Het wordt dus een gewichtig gesprek onder vier oogen?” vroeg Macmillan met een flauwen glimlach. „Wel eenigszins, mijn waarde,” antwoordde Raffles terwijl hij de deur voor den ander openhield en hem toen langs de breede gang voorging naar het fraai gemeubelde vertrek, hetwelk hem als Vice-President van de club ter beschikking was gesteld en waar hij vrienden kon ontvangen, of zaken kon regelen. Raffles sloot de deur, trok er het dikke fluweelen gordijn voor, dat ieder geluid zou dempen en wees Macmillan zwijgend een gemakkelijken stoel aan, waarop hij tegenover hem plaats nam en hem een oogenblik, met het geoefende en het doordringende oog van den geneesheer, aandachtig opnam. En toen kwam het op ernstigen toon van zijn lippen: „Gij moet dat werkelijk nalaten, Macmillan—het zal u den dood berokkenen.” De ander was half uit zijn stoel opgestaan en keek Raffles met groote verschrikte oogen aan. Toen stamelde hij: „Wat meent gij, wat wilt gij zeggen, Mylord?” „Gij weet het heel goed, gij moet het schuiven laten, en dat zeer spoedig, anders zult gij niet lang meer leven. Het zal u wel bekend zijn, dat ik geneesheer zou kunnen zijn, als ik verkoos en zou mogen praktiseeren, en als geneesheer verklaar ik u op mijn woord, dat uw gestel het schuiven niet lang meer zal kunnen verdragen. Ik bezweer u, luister naar mijn raad. Tracht ook niet te ontkennen, ik weet van een vriend, die mij nimmer zal bedriegen, dat gij een opiumkit in de Thames Street bezoekt. En luister nu. Sommige gestellen zijn tamelijk goed bestand tegen het opiumschuiven, ofschoon ook zij per slot van rekening moeten ondergaan—maar het uwe zou niet lang weerstand kunnen bieden!” Macmillan was zeer bleek geworden en daarop was een ziekelijke blos in zijn wangen komen opstijgen. En nu sloeg hij plotseling de magere handen voor het gelaat en zeide op heeschen toon: „Ik schaam mij, ik schaam mij diep. Maar—uw raadgeving zal te laat komen, Mylord.” „Neen, wanneer gij slechts ernstig u voorneemt haar op te volgen!” riep Raffles met kracht uit. „Gij zijt immers een man! Acht gij u niet eens in staat, een eenmaal genomen besluit ten uitvoer te brengen?” „Neen, Mylord,” antwoordde Macmillan op doffen toon, terwijl hij langzaam en treurig het hoofd schudde. „Waarom zou ik er om liegen—ik heb die kracht niet meer. Het is te laat—het is te laat, een half jaar geleden, drie maanden misschien zou ik nog in staat zijn geweest, om een eenmaal genomen besluit ten uitvoer te brengen maar nu ben ik een ellendige slappe willooze kerel geworden. Gelooft gij niet, dat ik er zelf onder lijd? Denkt gij dat ik in heldere oogenblikken niet besef, dat ik mijzelf, en daardoor ook mijn lieve kinderen ten gronde richt? Denkt gij dat ik niet weet, dat ik een ellendeling ben?” Macmillan had dit laatste op heeschen, hartstochtelijken toon uitgeroepen, terwijl hij zich met beide handen op de borst sloeg en Raffles herkende in het geheel niet meer den rustigen, gedistingeerden man van vroeger, die geen enkel gebaar zou maken, als het niet strikt noodzakelijk was. „Gij weet dat—en toch kunt gij geen weerstand beiden?” riep Raffles uit. „Neen, ik kan niet. Ik zou u nu kunnen beloven, dat ik mijn vervloekte gewoonte zal nalaten—en reeds, terwijl ik het beloofde, zou ik in mijn hart overtuigd zijn, dat ik mijn woord niet zou houden,” ging Macmillan op schorren toon voort. „Het is sterker dan ik, er is niet meer tegen te vechten. Laten wij er dus niet meer over spreken, Mylord. Ik ben u oprecht erkentelijk voor uw goeden wil—gij hebt gehandeld als een waar vriend—maar ik ben verloren—aan mij is niets meer te redden! Soms houd ik het vier dagen uit, nooit meer—en dan word ik met een onweerstaanbare kracht naar—die verdoemde plek getrokken!” Hij had het hoofd in de handen begraven en zat daar nu onbewegelijk, een oud, gebroken man. Raffles keek een oogenblik op hem neer met een blik, waarin medelijden en minachting om den voorrang streden en hernam toen: „Zeg mij eens—wilt gij mij niet eens mededeelen, hoe gij tot die verderfelijke gewoonte gekomen zijt? Het is toch onmogelijk, dat gij uit eigen beweging u die vreeselijke gewoonte hebt eigen gemaakt.” „Neen, Mylord—iemand anders heeft mij overgehaald!” „Die „iemand” heet George Spider, nietwaar?” Macmillan schoof zijn stoel met een ruk achteruit en vroeg verschrikt: „Hoe weet gij dat? Ik wil zeggen....” „O, gij behoeft niet te trachten, mij om den tuin te leiden, of mijn vraag te ontwijken,” zeide Raffles met een welsprekend handgebaar. „Mijn zegsman is volkomen betrouwbaar, dat zweer ik U, ik weet dat hij het was!” „Welnu, ja, het is zoo,” kwam Macmillan plotseling. „Ik heb het zoo lang mogelijk geheim willen houden—maar hiertoe moest het wel komen—tenslotte heeft men ons wel samen moeten zien!” „Is hij reeds lang een vriend van U?” „Hij is mijn oom!” Nu was het de beurt van Raffles om zich te verbazen. „Uw oom? Zegt gij? Hoe is dat mogelijk!” riep hij uit. „Hij is nauwelijks zoo oud als gij!” „Hij is twee jaar jonger dan ik—George Spider is een broer van mijn moeder—zij schelen bijna twintig jaar—mijn moeder huwde op zeer jeugdigen leeftijd, toen zij nauwelijks achttien jaar oud was.” „En uw eigen oom heeft u dus tot het opiumschuiven overgehaald.” „Overhalen kan men het niet noemen, wij bezochten eens met een heel clubje, louter uit de aardigheid, een opiumkit aan de haven, en daar hebben wij toen allen een pijp gerookt—en in die kit, op dat tijdstip is het begonnen!” „Welzoo, welzoo, een aardigheid dus!” riep Raffles met een minachtend lachje uit. „Een aardigheid, die u uw levensgeluk, uw gezondheid kan kosten. Maar grap of niet—uw oom, George Spider, heeft u dan toch daarna steeds vergezeld, nietwaar?” „Niet altijd, vaak ging ik alleen!” „Schuift uw oom zelf niet?” „Ik heb het hem nooit zien doen.” „Maar den eersten keer?” „Toen wel, maar hij scheen er in het minst geen hinder van te hebben.” Raffles was opgestaan en legde nu zijn hand op den mageren schouder van Macmillan. Zijn stem had een warmen klank, toen hij zich over hem heenboog en zeide: „Als vriend en als geneesheer—zeg ik u nogmaals, wend al uw wilskracht die U nog rest, aan, om uw hartstocht te bestrijden. Het is geen looze bedreiging, als ik zeg dat gij binnen een jaar dood en begraven zult zijn, als gij er mee voorgaat! Gij behoort juist tot degenen, die door het opiumschuiven het ergst worden aangegrepen. Ik heb u in den laatsten tijd nauwkeurig gadegeslagen en ik vermoedde reeds half, waardoor uw vreeselijke vermagering, uw slecht gezicht en uw trillende handen werd teweeggebracht en als mijn goed gemeende raad niets uitwerkt—denk dan toch in Gods naam om uw kinderen. Zij zijn nog zoo jong, zij hebben niemand anders dan u—wat moet er van hen worden?” Inplaats van te antwoorden, bedekte Macmillan opnieuw het gelaat met de handen en barstte in een krampachtig snikken uit, dat zijn geheele magere lichaam deed schokken. Raffles liet hem rustig uithuilen en besloot toen: „Denk nog eens over mijn woorden na—zij werden mij alleen ingegeven door mijn waarachtige sympathie voor u zelf—maar misschien nog meer voor uw beide dochters.” Het was of Macmillan iets wilde zeggen, maar hij bedacht zich, bette zijn brandende oogen, stak Raffles zijn trillende hand toe, schoof met een onhandig gebaar het fluweelen gordijn terzijde, hetwelk voor de deur hing en verliet haastig het vertrek. Raffles keek hem hoofdschuddend na en bleef toen geruimen tijd in gedachten verzonken staan. Maar plotseling sprong hij op, mompelde iets onverstaanbaars voor zich heen en verliet op zijn beurt het vertrek, om zich naar de biljartkamer te begeven, waar hij Charly aantrof die een partij speelde met een der clubleden. Hij gaf den jongen man een wenk en deze zette dadelijk zijn queue weg, verontschuldigde zich bij zijn partner en verliet met Raffles de biljartzaal. De twee vrienden begaven zich naar de conversatiezaal, waar zich op dat oogenblik slechts weinig leden bevonden, want het seizoen was reeds begonnen en de meeste hadden met hun gezin hun zomerverblijf reeds betrokken. Zij zochten een stil plekje op, bij een der groote vensters en daarop vroeg Charly op zachten toon: „Mag ik weten, wat je met hem besproken hebt?” „Dat kun je je wel voorstellen, Charly. Ik heb hem onder het oog gehouden, dat hij binnen een jaar niet meer tot de levenden behoort, als hij niet ophoudt met schuiven.” „Is dat werkelijk zoo?” vroeg Charly verschrikt. „Het is zoo—ik zeide het hem als geneesheer!” „En wat antwoordde hij?” „Weinig anders, dan dat ik verwacht had van iemand, die al zoover heen is—hij kon mij niets beloven!” „Dat is vreeselijk!” „En toch is er nog iets—dat erger is, Charly!” „Wat kan dat wel zijn.” „De man, die hem hiertoe overhaalde, is zijn eigen oom!” „Wat, is die George Spider een oom van Macmillan?” vroeg Charly in de grootste verbazing. „Een volle oom, een broer van zijn moeder!” „Dat is zeker ontzettend, Edward. Dat is een laagheid, door niets te evenaren! Dan draagt die man zijn naam wel met eere?—Wat kan hem daartoe wel bewogen hebben?” „Daarover heb ik ook geruimen tijd nagedacht, nadat Macmillan mij verlaten had en ik ben tot de volgende slotsom gekomen.” Hij keek even uit het raam naar het drukke gewoel in de Oxford Street en vervolgde toen: „Je weet, dat de twee dochters van Macmillan buiten hun vader geen naaste familie hebben. Hij zelf is zeer rijk. Natuurlijk beheert hij zelf zijn groot vermogen. Maar wat zou er gebeuren, denk je, als hij eens niet meer in staat was dat te doen?” „Wel dan zou er natuurlijk een curator moeten worden aangesteld,” antwoordde Charly verwonderd. „Juist, dat heb je nog goed onthouden uit je studententijd! Er zou een curator moeten worden aangesteld en die zou waarschijnlijk tegelijkertijd voogd worden over de beide onmondige meisjes. In ons land mag iemand die onder curateele gesteld wordt zijn eigen vermogen niet langer beheeren. En wat is er natuurlijker dan dat men den oom van Macmillan zou benoemen tot curator?” Charly keek Raffles, toen deze de vraag gesteld had, geruimen tijd zwijgend aan en eindelijk zeide hij: „Dat zou wel ongeveer de gemeenste streek zijn, dien ik mij met mogelijkheid kan voorstellen. Je denkt dus, dat de Spider met opzet zijn neef aan het opiumschuiven gebracht zou hebben, met het doel en in de hoop, dat hij zijn hersens en zijn lichaam zou kunnen vernielen zoodat men hem onder curateele zou moeten stellen.” „Dat acht ik tenminste volstrekt niet zoo onmogelijk,” antwoordde Raffles de asch van zijn sigaar wegtikkend. „De menschelijke boosheid heeft vele wegen en middelen, Charly; bedenk, als hij zijn neef doodt, dan komt hij niet veel verder, want volgens onze wet zou zijn vermogen dan eenvoudig verdeeld worden tusschen de beide dochters.” „Maar die zijn nog minderjarig en dus zou hun vermogen toch beheerd moeten worden,” merkte Charly op. „Zonder twijfel, maar onder veel ongunstiger omstandigheden voor Spider, want binnen een jaar of daaromtrent zou hij hun het fortuin toch moeten uitkeeren, wat hij ook zou moeten doen, als zij huwden.” „En hoe zou je het kunnen bewijzen wat je daar zegt?” „Dat is natuurlijk volstrekt niet te bewijzen. Spider zou natuurlijk eenvoudig de schouders ophalen, als men hem van zooiets beschuldigde. Hij zou aanvoeren, dat zijn neef zich in gezelschap bevond toen hij voor het eerst de opiumpijp aan de lippen bracht en verder zou hij zich nergens iets van aantrekken. Trouwens geen enkele wet ter wereld zou hem voor iets dergelijks kunnen straffen—en dat vind ik erg genoeg. Naar mijn oordeel moest de man, die een ander overhaalt om te drinken, opium te schuiven of cocaïne te gebruiken, levenslang worden opgesloten!” „En heb je in het geheel geen hoop dat Macmillan zijn ongelukkige gewoonte zal afleggen?” „Om je de waarheid te zeggen, bitter weinig, Charly. Hij is al te ver heen, naar ik vrees.” „Zouden zijn dochters er van weten?” „Dat betwijfel ik sterk.” „Maar als die arme meisjes eens op de hoogte werden gesteld—zouden zij niet kunnen bereiken, waartoe jij niet bij machte bent?” Raffles dacht even na en antwoordde toen: „Misschien, het is een gewaagde proefneming. Wie weet, tot welke wanhoopsdaad Macmillan zich laat verleiden, als hij weet dat zijn dochters zijn geheimen hartstocht kennen. Want ik weet, dat hij zijn kinderen verafgoodt!” „Dus wij zouden volkomen machteloos staan?” „Neen, Charly, neen, dat zal ik nimmer erkennen,” riep Raffles vastberaden uit. „Wij zullen Macmillan redden—al was het ook tegen zijn zin en als het niet met de gewone middelen gaat, welnu, dan zullen wij een paardenmiddel toepassen.” HET PAARDENMIDDEL. Het bleek Raffles al spoedig, dat de „gewone middelen” zouden falen. Een paar keeren had hij zich verdekt opgesteld in de buurt van Thames Street en twee malen werd zijn geduld beloond—al had hij veel liever gezien, dat hij daar voor niets had gestaan, Macmillan kwam de kit bezoeken, eenmaal in gezelschap van Spider, eenmaal alleen. Raffles had op het punt gestaan, den ongelukkige met geweld te beletten, in dat hol van verderf binnen te treden, maar hij begreep, dat hem dit niets verder zou brengen. Hij zou slechts een scène verwekken—en een dag later zou de opiumschuiver toch weder terugkomen. Neen—hier moesten andere krassere middelen worden toegepast. Raffles kende door en door alle verschijnselen van de opiumvergiftiging. Hij wist dat Macmillan slechts door een enkel middel te redden was: volkomen, volstrekte onthouding en dat wel dadelijk. Door de onthouding, zoo eensklaps ingetreden zou hij zonder twijfel ziek worden, misschien zelfs zeer ernstig, maar indien hij bleef doorgaan met schuiven, zou hij even zeker sterven—en dus moest men van twee kwade wel het beste kiezen. Raffles begreep voorts, dat deze onthouding onmogelijk zou zijn toe te passen, wanneer Macmillan in de nabijheid van de bron van zijn lijden bleef, dat wil zeggen, te Londen, of liever in Engeland, want immers zou hij in iedere havenplaats van het Vereenigd Koninkrijk opium kunnen krijgen, evengoed als Frankrijk of in welk ander land dan ook. Hij zou pas kunnen genezen, als men hem volkomen verwijderd hield van iedere verleiding, maar hoe zou dat mogelijk zijn, zonder hem geweld aan te doen, zonder hem ergens gevangen te zetten? Raffles dacht hierover na, toen hij opstond van de tafel in het Carltonhotel, waar hij dien dag alleen geluncht had, daar Charly zich des morgens naar een van Raffles’ Landgoederen in het Zuiden van Schotland had begeven, om daar een en ander te regelen met een der rentmeesters, in verband met den aanleg van een oefenbaan voor de renpaarden. En terwijl de kellner hem eerbiedig hielp bij het aantrekken van zijn jas, schoot hem plotseling een denkbeeld te binnen. „Ja, ik zal het doen, het is een uiterste redmiddel en daarbij moeten zijn dochters mij behulpzaam zijn. Het gaat niet anders. En als die duivel van een Spider hier werkelijk de hand in het spel heeft, als hij dien ongelukkigen man tot een half kindschen grijsaard wil maken, om zich van zijn fortuin te kunnen meester maken—dan zal hij zien, met welke sterke tegenpartij hij te doen heeft.” Voor het hotel stond de groote blauw gelakte limousine te wachten met den reusachtigen Henderson achter het stuurwiel, maar Raffles zond hem met enkele woorden weg. Hij riep een huurauto aan, en gaf den chauffeur het adres op van zijn huis in de Victoria Street, hetwelk hij een paar dagen tevoren reeds had benut. Hij zond daar den man weg en ging het huis in de zijstraat binnen. Een half uur later verliet hij het weder door de voordeur in de Victoria Street, en hij was geheel onkenbaar geworden. Hij geleek in niets meer op den deftigen Lord Aberdeen, maar niettemin moest hij iedereen vertrouwen inboezemen, met zijn eerwaardigen witten haardos, zijn gouden bril, zijn lange gekleede jas, zijn ebbenhouten wandelstok met ivoren knop. Hij wachtte tot er een auto voorbijreed, en wenkte den chauffeur. „Portland-Place!” beval hij den chauffeur, „houdt maar stil op den hoek van de Mortimer Street.” Twintig minuten later was hij ter bestemder plaats, en zond den chauffeur weg. Hij ging te voet verder, tot hij het huis van Macmillan in het oog kreeg. Hij trof het bijzonder want de heer des huizes verliet net zijn woning en Raffles wenschte volstrekt hem niet tegen te komen. Hij wachtte, tot Macmillan uit het gezicht was, en belde toen aan. De deur werd hem geopend door een ouden bediende, een van de ouderwetsche huisknechts, die oud en stram zijn geworden in dienst van hetzelfde gezin. „Wat is er van uw dienst, mijnheer?” vroeg de bediende met een zachte omfloersde stem. „Zijn de beide dames Macmillan thuis? Ik wenschte ze even te spreken over een gewichtige zaak.” „Uw naam?” „Jerome Hatchock.” „Ik zal de dames gaan vragen of zij u ontvangen kunnen, mijnheer. Wees zoo goed binnen te komen.” De bediende liet Raffles in een fraaie ontvangkamer en beklom daarna de prachtige trap naar de eerste verdieping. Een paar minuten later ging de deur opnieuw open en traden er twee meisjes binnen, die zoo verbluffend op elkaar geleken, dat men hen met elkaar verwisseld zou hebben, en toch waren zij geen tweelingen. Zij waren beiden goudblond, beiden eerder klein dan groot, beiden even sierlijk gevormd, beiden met dezelfde prachtige, groote blauwe oogen. Maar Rose was een jaar ouder dan Ellen, en misschien een halven duim grooter dan haar zuster. De beide meisjes stonden den bezoeker even aan te kijken en kwamen toen het vertrek binnen. „Wel mijnheer,” begon Rose, terwijl zij den bezoeker met een lieftallige beweging uitnoodigde, weder plaats te nemen, „wat kan het wel voor gewichtigs zijn, waarover gij ons komt spreken.” Alvorens te antwoorden, keek Raffles de beide meisjes, kinderen nog haast, beurtelings onderzoekend aan. En hij zag op hun lief gelaat een waas van droefheid, dat niet thuis hoorde op de wezentrekken van twee schepseltjes, die alles hadden wat het leven kan veraangenamen—een vader die hen verafgoodde, rijkdom en gezondheid, jeugd en schoonheid, en die alleen de verwarmende liefde van een moeder misten. Hij begreep nu, waaraan die droefheid toe te schrijven—de meisjes leden terwille van hun vader. Hij kuchte eens en begon: „Dames—ik heb zooeven uw vader het huis zien verlaten, en daarop heb ik gewacht hier aan te bellen.” „Wat zegt ge mijnheer?” vroeg Rose, de oudste van de beide meisjes, en die omstreeks achttien jaar oud kon zijn. „Gij verbaast mij. Mijn vader mocht het dus niet weten wat gij ons te zeggen hebt?” „Hij mag er volstrekt niets van weten, miss,” antwoordde Raffles op ernstigen toon. „Maar—wat kan dat nu wel zijn?” vroeg Ellen ongerust. „Laat ons niet lang in de onzekerheid, mijnheer. Het betreft dus onzen lieven vader?” „Ja, miss, ik zal trachten kort te zijn—en ik moet u er bij vooruit waarschuwen, dat ik u pijn zal moeten doen, veel pijn!” Met hetzelfde aandoenlijke gebaar drukten de meisjes de hand op het hart, en zij keken Raffles verbaasd en verschrikt aan. Deze vervolgde: „Gij hebt natuurlijk wel opgemerkt, dat uw vader er in den laatsten tijd zeer slecht uitziet?” Rose knikte zonder te antwoorden, en Ellen boog het hoofd en verbleekte. „Ik weet, wat de oorzaak van zijn lijden is,” ging Raffles voort. „Ik ben zijn vriend, al kent hij mij in het geheel niet. Uwe arme vader, meisjes, is het slachtoffer geworden van een treurige gewoonte, een gewoonte, die hem naar het graf zal sleepen, als er niet spoedig met zeer krachtige middelen wordt ingegrepen—uw vader is verslaafd aan opium....” Rose en Ellen slaakten een luiden kreet en barstten in hartstochtelijk snikken uit. Dadelijk was Raffles overeind, om de arme wezentjes vaderlijk over het blonde haar te strijken. Zijn stem had een ongewoon zachten klank, toen hij vervolgde: „Ik heb gezegd dat ik u pijn moest doen—maar het ging niet anders. Ik heb volstrekt uw hulp noodig om mijn plan ten uitvoer te brengen, waardoor wij hem alleen nog maar kunnen redden.” „O, gij bevestigt slechts mijn ergste vermoedens, mijnheer!” riep Rose snikkend uit. „Ik heb gevoeld, ik heb het geweten. Opium of morphine—dat moest het zijn. Gij verbaast u, dat ik dat vermoed heb, maar in het laatste jaar van den oorlog heb ik mij aangemeld als verpleegster en ik heb toen veel geleerd. Dus het is waar—o God—mijn lieve, arme vader!” Ellen kreunde nu zachtjes voor zich heen, met het hoofd op de armen. Nu richtte zij zich op, en vroeg, met een door tranen verstikte stem: „Hoe weet gij het mijnheer? Hebt gij hem daar, in een van die ellendige huizen gezien?” „Ja miss,” antwoordde Raffles eenvoudig. „En hebt gij hem dan niet dadelijk aangesproken, hem voorgehouden, dat hij zich zelf ten gronde richt?” Raffles haalde de schouders op. „Ik zeg u immers, dat hij mij in het geheel niet kent!” zeide hij. „En al was dat wel het geval, wat zou dat dan nog gebaat hebben? Hij zou mij terzijde hebben gestooten!” „O, maar wat u niet gelukt is, wat gij niet kondet beproeven—daarin zullen wij slagen!” riep Rose op hartstochtelijken toon. „Nu ik zekerheid heb, nu zal ik mij voor hem op de knieën werpen en hem smeeken, bij het geluk van zijn eenige kinderen, zich zelf niet te gronde te richten. Hij zal naar mij luisteren, niet waar, mijnheer?” Maar Raffles schudde mismoedig het hoofd, en antwoordde droevig: „De hemel beware mij, dat ik U zou weerhouden, om die poging te doen, miss—maar ik mag u niet met een valsche hoop vleien, uw arme vader is reeds zoozeer verslaafd aan het gebruik van opium, dat hij zelfs de duurste eeden zou schenden, als de verleiding te sterk werd. Hij kan er niet meer tegen vechten, alle moreele kracht is uit hem weggegaan.” „Maar hij moet naar ons luisteren,” riep Rose wanhopig uit. „Hij is alles voor ons. Wat zou er van ons worden, als wij hem moesten missen. O, dat het hiertoe komen moest, mijn lieve vader, die ons zoo lief had. Wie kan hem daartoe hebben overgehaald.” „Ik geloof, dat ik dat weet, miss,” zeide Raffles. „Maar ik meen nog geen vrijheid te hebben, om u den naam van dien man te noemen, want ik ben nog niet geheel zeker van mijn zaak. Wat uw voornemen betreft, om uw vader te smeeken, om uwentwille van zijn hartstocht af te zien, natuurlijk moet gij het beproeven en ik zal den hemel danken, als gij er in slaagt, maar als hij u eens belooft, onder den eersten indruk van het feit, dat gij nu alles weet, de opium te laten staan, en toch zijn woord niet houdt?” „Dat is te vreeselijk om aan te denken,” zeide Rose op doffen toon. „Hij zou sterven, miss,” hernam Raffles op vasten toon. „Nog een half jaar, en gij zoudt hem grafwaarts moeten dragen.” „Maar kan dan niets hem redden,” kreet Ellen op hartverscheurenden toon. „Ja, miss,” antwoordde Raffles aanstonds. „Een ding kan hem helpen, volkomen onthouding, een paar maanden streng doorgezet.” „Maar gij zelf zegt, dat hij daartoe niet meer in staat zal zijn, mijnheer,” riep Rose uit. „Dat zal hij ook niet, als hij hier blijft,” hernam Raffles. „Maar hij zal niet willen vertrekken, als zijn hartstocht werkelijk reeds zoo diep wortel heeft geschoten,” zeide Ellen, zich de tranen van de bleeke wangen drogend. „Neen, goedschiks zeker niet,” kwam het kort over de lippen van den man met het witte haar. „Niet goedschiks?” herhaalde Rose langzaam. „Wat meent gij, mijnheer? Wij kunnen onzen vader toch niet met geweld dwingen, Londen te verlaten?” „Londen te verlaten zou niet eens voldoende zijn, miss.” „Welnu dan?” „Uw vader moet niet alleen Engeland, hij moet Europa verlaten, hij moet ergens worden heengevoerd, waar iedere kans om zich de opium te verschaffen volkomen is buitengesloten, hij moet geheel alleen worden gelaten, alleen met de genezende, de goedertierende Natuur, die hem alleen kan redden.” „Maar dat is immers onmogelijk, mijnheer,” riep Rose in de grootste verbazing uit. „Het is integendeel zeer goed mogelijk, Miss en het bewijs is, dat ik hem zal wegbrengen, als gij toestemming geeft, wel te verstaan. Daartoe juist kwam ik tot U.” „Wat, gij wilt,....” stamelde Rose. „Ik wil uw vader naar een geheel onbewoond eiland brengen, waarvan ik alleen de juiste ligging weet,” vulde Raffles den zin aan. „Daar zou hij dan twee maanden moeten blijven. Gij zelven zoudt hem mogen wegbrengen, om u te overtuigen, dat ’t hem aan niets zal ontbreken. Ik zelf zal om de drie dagen in het geheim gaan zien, of hij zich steeds in goeden welstand bevindt. En als de twee maanden om zijn, dan zult gij uw vader volkomen genezen in de armen kunnen sluiten. Ik....” Maar een geraas in het aangrenzende vertrek deed hem ophouden. Er viel een vaas of iets dergelijks. Ellen sprong op en rukte de tusschendeur open. Op den drempel stond de oude bediende. Hij was zeer bleek en had tranen in de oogen. „Ik vraag u duizend maal verschooning, Miss Ellen,” zeide hij met bevende stem. „Ik was hier naast om stof af te nemen—en.... en gij hebt zoo luid gesproken.... Ik heb alles verstaan. En.... en als mijnheer Macmillan werkelijk van dien heer moet vertrekken—dan smeek ik om verlof, bij hem te mogen blijven, om hem te verplegen, als hij ziek mocht worden.” Eenige oogenblikken bleef het doodstil in het vertrek. Meer getroffen dan hij wilde laten merken, door dat aandoenlijk bewijs van trouw en aanhankelijkheid, had Raffles zich half afgewend. En toen vloog Ellen onstuimig op den ouden bediende af, en sloeg haar armen om zijn hals. „Jij lieve, oude Jerry!” riep ze weenend uit. „Zou je dat werkelijk voor vader over hebben?” „Het heeft niets te beteekenen Miss,” antwoordde Jerry eenvoudig. „Mijnheer is altijd zoo goed voor mij geweest—in tijden van nood zal ik hem niet verlaten. Als deze heer het goedvindt, vergezel ik mijn meester!” „Je bent een brave kerel, Jerry,” zeide Raffles ontroerd, „en ik heb er zeker niets op tegen. Bedenk echter, dat ge twee maanden lang geheel alleen met uw meester zult moeten zijn op een eiland, waar niemand anders behalve gij woont, en dat geheel buiten de gewone route ligt, zoodat iedere kans, dat er een vaartuig zal passeeren, vrijwel is buitengesloten. Gij zult er geen van de gemakken der moderne samenleving vinden, en slechts een planken hut om u te slapen te leggen. Gij zult wat verduurzaamde levensmiddelen krijgen—en voorts geweren en patronen, om in uw levensonderhoud te kunnen voorzien. En dan—door de plotselinge onthouding, zal uw meester zeer waarschijnlijk ziek worden en dan zal op u de taak rusten hem te verplegen.” „Dat alles kan mij niet afschrikken, mijnheer!” hernam de bediende eenvoudig. „Ik kan het denkbeeld niet verdragen, dat mijnheer Macmillan daar geheel alleen zou zijn.” „Stil maar Jerry,” zeide Rose, terwijl zij hem de kleine hand op de schouders legde. „Je zult meegaan en Ellen en ik zullen je ons geheele leven dankbaar zijn.” Daarop wendde zij zich tot Raffles en vervolgde: „Maar mijnheer, nu weten wij nog in het geheel niet, wie gij zijt en wat u wel bewogen kan hebben, ons uw hulp aan te bieden.” „Luister eens Miss,” begon Raffles op ernstigen toon. „Ik wil uw vader trachten te genezen van zijn vreeselijk gebrek, maar op deze stellige voorwaarde: gij neemt er genoegen mee, dat gij mijn naam weet, Jerome Hatchock. Het zal u duidelijk zijn, dat ik over buitengewone middelen beschik, als ik u zeg dat ik u, uw vader, uw zuster en onzen braven Jerry binnen anderhalven dag zal brengen naar een eiland, op het andere halfrond gelegen.” „Maar mijnheer, drijft gij den spot met ons?” riep Rose uit. „Dat is immers volkomen onmogelijk.” „Dat woord ken ik niet, Miss,” zeide Raffles droog. „Gij behoeft mij niet aan te zien, als vreesdet gij met een gek te doen te hebben, ik ben volkomen bij mijn verstand en ik herhaal u, dat gij binnen anderhalven dag de reis voltooid zult hebben.” „Maar dan moeten wij door de lucht reizen!” „Dat zult gij ook doen, Miss!” „Gij zijt een vreemde man,” zeide Rose peinzend. „Ik vraag mij vruchteloos af, waarom gij juist mijn vader op zulk een edelmoedige wijze tegen zich zelf wil beschermen.” „De reden is zeer eenvoudig, Miss, hij is een braaf mensch, en dan—ik wil den ellendeling straffen, die het op zijn fortuin heeft voorzien en hem daarom in dezen toestand gebracht heeft. Later zult gij den naam van dien man hooren. Ik weet het, dit alles komt u natuurlijk zonderling voor, het zou meer te verbazen zijn als het niet zoo was en toch vraag ik u: vertrouw mij slechts en gij zult u niet beklagen!” „Dat willen wij, mijnheer, want welk belang zoudt gij er bij hebben, ons ongelukkig te maken!” riep Ellen uit. „Gij ziet er ook heelemaal niet uit als iemand, die kwaad zou kunnen doen.” Raffles wendde het hoofd af, wat het meisje daar zeide trof hem pijnlijk. Maar hij herstelde zich spoedig en zeide: „Ik wil alleen uw welzijn, Miss, dat zweer ik u! Gij kunt ook steeds bij ons zijn, gij kunt u zelf overtuigen, waarheen ik uw vader breng, alleen zult gij den naam en de ligging van het eiland niet mogen weten. Maar ik kan sterven, voor de termijn is afgeloopen en in dit geval heb ik maatregelen genomen, opdat een mijner vrienden u den naam van het eiland kan mededeelen, waar uw vader zich bevindt. Ik heb mijn geheimen, die mij dierbaar zijn en die mag ik tot geen prijs verraden!” „Maar als wij op uw plan ingaan, mijnheer, hoe zouden wij dan mijn vader moeten bewegen, zich aan boord van uw vliegmachine in te schepen?” „Daar is natuurlijk maar een middel toe, Miss,” gaf Raffles ten antwoord. „Goedschiks, willens en wetens, zou uw vader zeker nooit meegaan—wij moeten het doen, zonder dat hij het weet en dat kan slechts, als hij onbewust is van hetgeen er met hem gebeurt, met andere woorden, als hij in staat van bewusteloosheid verkeert.” „Maar is dat niet zeer gevaarlijk, mijnheer?” „In het geheel niet, Miss,” antwoordde Raffles met een geruststellend gebaar. „Laat dat gerust aan mij over. Ik ben geneesheer en ik zal hem een middel toedienen, waardoor hij zoolang bewusteloos zal blijven, totdat ik hem met een tegenmiddel weder bij kennis zal hebben gebracht.” „Maar gij staat toch toe, mijnheer, dat wij eerst trachten mijn vader tot betere gedachten te brengen?” „Dat spreekt immers van zelf, Miss Rose,” antwoordde Raffles, die het meisje zoo door haar zuster had hooren noemen. „Ik zal u vier volle dagen geven—maar ik ken de menschelijke natuur helaas, en ik kan u nu wel voorspellen, dat uw vader, ondanks zijn groote liefde voor u, thans reeds te veel moreel verzwakt is, om nog weerstand te kunnen bieden aan de verleiding. Laat hem geen eed zweren—hij zou hem breken en diep rampzalig zijn!” Met tranen in de oogen grepen de twee meisjes ieder een hand van Raffles en drukte die met innige dankbaarheid. Daarop sprak Rose: „Wie gij ook zijn moogt, mijnheer, wij gevoelen dat gij een waar vriend van mijn vader zijt en dus ook van ons. Wij vertrouwen ons aan u toe.” „Ik geloof dat gij werkelijk niet beter doen kunt, Miss,” zeide Raffles eenvoudig. „Het is nu Maandag—Vrijdagmorgen zal ik weder hier komen en dan zal ik u naar eer en geweten mededeelen, of uw vader na dezen dag nog de opiumkit heeft bezocht, waar ik hem tot mijn grooten schrik heb aangetroffen, toen ik daar een van mijn Chineesche patiënten moest bezoeken.” Raffles was opgestaan en wendde zich nu tot Jerry, die met tranen in de oogen terzijde stond. „Houd je maar reisvaardig, oude vriend,” zeide hij op zachten toon. „Als mijn kennis van het menschelijk gemoed mij niet bedriegt, dan zul je de reis zeker maken.” De loop der gebeurtenissen bewees, dat Raffles het maar al te goed gezien had. Vier dagen later, ’s morgens om zeven uur, hield er een huurauto stil voor het huis in Portland-Place en Raffles stapte er uit, belde aan en werd binnengelaten door Jerry, wiens bleek gelaat en dikke oogen maar al te duidelijk aantoonden, dat hij den geheelen nacht niet naar bed geweest was. Raffles nam hem dadelijk mee naar de ontvangkamer en zeide tot den trouwen bediende: „De jonge meisjes zijn natuurlijk nog niet op?” „Neen, mijnheer.” „Je weet natuurlijk, dat je meester niet thuis is? Ik heb maar naar je gezicht te zien, brave vriend—je hebt vannacht niet geslapen.” „Zoo is het, mijnheer,” antwoordde de bediende op gedempten, nauwelijks hoorbaren toon. „Ik was nu gewaarschuwd, en toen mijnheer om elf uur uitging, was ik zoo ongerust, dat ik niet naar bed wilde gaan, omdat ik wel wist, toch niet te zullen slapen.” „Het is zoo als ik gevreesd had, arme Jerry—op het oogenblik ligt mijnheer Macmillan op een der rustbanken in de opiumkit.” De oude man barstte in snikken uit en Raffles liet hem stil begaan en vroeg na eenigen tijd: „Kun je mij zeggen of Miss Rose en Miss Ellen het verzoek aan hun vader gedaan hebben, waarover wij Maandag spraken?” „Nog dienzelfden middag, mijnheer, het gaf een tooneel—vreeselijk. Mijn arme meester barstte in tranen uit, en een oogenblik vreesde ik, dat hij een ongeluk aan zichzelf zou begaan. Hij trachtte eerst te ontkennen, toen wilde hij weten, wie hun het noodlottig geheim onthuld had. Maar de twee kleine engeltjes hielden voet bij stuk, mijnheer—en zij lieten niets los. Zij zeiden alleen, dat men hem gezien had en dat hij hen niet behoefde te bedriegen. Hij is er dus nu, mijnheer?” „Hij is er nu, Jerry, en hij was er Dinsdagavond ook!” De oude bediende kreunde zachtjes en steunde: „Mijn God, mijn God, wat moet er van hem worden?” „Verlies den moed niet, oude vriend—wij zullen hem redden tegen zijn wil. Deel dadelijk zoodra zij op zijn, aan de meisjes mede, wat ik u zooeven heb gezegd—maar doe het voorzichtig, ik denk wel, dat er nog een uur zal voorbij gaan, voor hun vader thuiskomt—hij heeft vanavond vier pijpen gerookt en die bewusteloosheid zal dus wel lang geduurd hebben. Wek hen liever onmiddellijk, maar druk hen op het hart, dat zij vooral niet aan hun vader mogen laten merken, dat hij toch zijn woord niet gehouden heeft—hij is zoo verzwakt, dat hij misschien uit wanhoop de hand aan zich zelf zou slaan!” „Ik beloof het u, mijnheer!” „Zeg hun dan verder, dat zij zich gereed moeten houden, om morgen de reis te maken. Ik zal hun nog vanmiddag het middel komen brengen, hetwelk zij des morgens in den drank van hun vader moeten doen, het is een eenvoudig, wit poedertje, dat zeer snel oplost.” „Ik zal het zeggen, Mylord,” herhaalde de oude man, nog diep onder den indruk van hetgeen hem zoo even was medegedeeld. „Dan ga ik nu heen en maak alles voor de reis in orde. En nogmaals, laat vooral niets merken aan mijnheer Macmillan, want hij is natuurlijk buitengewoon prikkelbaar en wie kan zeggen, wat er zou gebeuren, als hij tegenover zijn dochters als een leugenaar en woordbreker zou staan.” „Gij kunt alles gerust aan mij over laten, mijnheer,” zeide Jerry, „eerder zou ik mijn tong afbijten, dan mijn ongelukkigen meester benadeelen.” Raffles knikte hem nog eens toe en verliet daarop het vertrek, om zich snel naar de villa te spoeden, waar hij Charly van een en ander op de hoogte stelde en zich daarop ter ruste begaf, teneinde de noodige krachten te verzamelen, voor de vermoeienissen, die hem te wachten zouden staan. Charly had de noodige instructies ontvangen en met Henderson, die echter de reis niet zou mede maken, daar de vliegmachine van Raffles op zulk een groot gewicht niet was ingericht, zou hij alles voor de reis in orde maken. Dienzelfden morgen vertrok Charly met den reusachtigen chauffeur naar het vliegveld van Hendon, een paar mijlen ten Noorden van Londen gelegen, waar de wonderbare vliegmachine veilig in een loods was opgeborgen. Daar stond de duivel der lucht, het fijngebouwde vliegtuig, ontsproten aan het uitvindersgenie van den Gentleman-Inbreker en dat door electriciteit bewogen werd. Deze machine, die wel wat geleek op een sierlijke libel, kon een snelheid van vijfhonderd kilometer per uur bereiken en onafgebroken vier dagen in de lucht blijven, zonder dat het noodig was de accumulatoren opnieuw te laten. In normale omstandigheden bood de machine plaats voor vier personen, maar men zou zoo weinig mogelijk vracht meevoeren en de daardoor gespaarde ruimte zou gebruikt worden voor het overbrengen van nog twee passagiers. In de groote toerauto had Charly de noodige verduurzaamde levensmiddelen, geweren, patronen, dekens, aluminium eetgerei en andere onmisbare voorwerpen medegenomen, welke Jeffries Macmillan zou noodig hebben op het onbewoonde eiland, alleen aan Raffles en zijn makkers bekend, waarheen hij zijns ondanks, zou worden vervoerd. De geheele voormiddag was gemoeid met het treffen van alle toebereidselen, maar tegen het lunchuur konden Charly en Henderson met voldoening op hun arbeid terugzien, wat hun betreft zou Raffles dienzelfden middag de reis kunnen beginnen. Henderson had de machine nog eens goed nagekeken, zorgvuldig de metalen kap gesloten, welke het geheim van den motor verborg en daarop ook de deuren van de houten loods weder gesloten. De terugtocht naar Londen werd aanvaard, nadat de beide mannen in het restaurant van het vliegveld hadden geluncht en om drie uur waren zij weder in het groote huis aan de Regent Street terug. Raffles was toen juist ontwaakt, had zijn bad genomen en gevoelde zich nu zoo frisch en krachtig, alsof hij den geheelen nacht rustig geslapen had, inplaats van maar enkele uren midden op den dag. Hij nam Charly dadelijk mede naar de bibliotheek en vroeg: „Is daar ginds alles in orde?” „Alles Edward. Als je zou willen, zou je hedenavond kunnen opstijgen.” „Dan informeer ik niet verder—ik weet wel, dat je niets vergeten zult hebben.” „Wil je mij toestaan, je een vraag te stellen?” „Je weet wel, dat je mij alles kunt vragen, Charly!” „Vindt je het niet wat gevaarlijk, om twee vreemdelingen toe te laten op een eiland, waar je een deel van je schatten bewaart?” „In het minst niet, Charly! Ten eerste zullen zij niet weten, waar dat eiland ligt, tenminste niet op eenige honderden kilometers na; en ten tweede ben ik overtuigd, dat onze schatten zoo goed zijn verborgen, dat zij, zelfs al wisten zij iets van den oorsprong, maanden zouden noodig hebben, om ze te ontdekken. Neen, daaromtrent ben ik volkomen gerust!” Raffles was opgestaan, had een kaartenmap uit de lade van een boekenkast gehaald en spreidde nu de kaart van Europa en Azië voor zich uit. Hij hield den vinger op een verzameling zeer kleine stipjes op de kaart en zeide glimlachend: „Hier ergens ligt het eiland, waaraan ik mijn naam heb gegeven—Mysteria. Het maakt deel uit van de Salomon-Groep, maar het is wel een paar honderd kilometers verwijderd van de bewoonde eilanden van de groep.” „Hoeveel bedraagt de afstand in rechte lijn ongeveer?” „In rechte lijn zou de afstand omstreeks vijftienduizend kilometer bedragen, maar natuurlijk vlieg ik zooveel mogelijk over land, in dit geval over Nieuw Guinea en dat zal den afstand met ongeveer duizend kilometer verlengen—ik reken dus op 16000 kilometer! Als wij gemiddeld vijfhonderd kilometer per uur afleggen, zullen wij dus twee en dertig uur over den afstand doen, dat is nog in anderhalf etmaal.” „Ik heb zulke reizen reeds menigmaal met je gemaakt, Edward, en toch klinkt het mij altijd even ongeloofelijk in de ooren!” „Dat komt, omdat wij altijd zoo hoog hebben moeten vliegen, dat je onmogelijk hebt kunnen waarnemen, wat een snelheid van vijfhonderd kilometer eigenlijk beteekent,” zeide Raffles. „En ga nu mede naar het laboratorium, dan zullen wij het poedertje voor vriend Macmillan eens in gereedheid brengen.” Een half uur later was het bedwelmende middel gereed en nadat Raffles en Charly gedineerd hadden, begaf de eerste zich in een huurauto naar het huis van Macmillan. De oude bediende opende weder de deur voor hem en legde dadelijk den vinger op den mond. „Mijnheer is thuis!” zeide hij fluisterend. „Zooveel te beter. Daarop heb ik gerekend. Ik heb het middel bij mij. Zijt gij allen reisvaardig?” „Wij zouden desnoods aanstonds kunnen meegaan, mijnheer. Ik zou alleen mijn livrei moeten veranderen tegen mijn Zondagsche pak, want het zou wel wat vreemd zijn, nietwaar, als ik op dat onbewoonde eiland in mijn gestreept linnen jasje en in mijn kuitbroek rondliep!” voegde hij er met een zwak glimlachje aan toe. „Als dat zoo is, dan kunnen wij voorkomen, dat mijnheer Macmillan hedenavond nogmaals naar de opiumkit gaat!” zeide Raffles op levendigen toon. „Hier is de poeder. Geef ze aan Miss Rose, en laat deze ze in een of anderen drank mengen. Alles is goed, behalve mineraalwateren. Wijn, een rumgroc, een kop koffie, thee, alles kan dienen, het poeder is volkomen smakeloos en het werkt reeds binnen enkele minuten. Zeg dat aan de meisjes, opdat zij niet schrikken. Ik zal wachten in de ontvangkamer, nadat ik een huurauto besteld heb—kom mij aanstonds waarschuwen, wanneer het middel zijn uitwerking heeft gedaan. Wij kunnen nog hedennacht vertrekken!” Jerry nam met bevende hand de witte enveloppe met poeder aan en liet de deur aanstaan, terwijl Raffles haastig een huurauto wenkte en den chauffeur beval voor het huis te wachten. Daarop ging hij weder binnen, trad de ontvangkamer binnen en zette zich in een stoel. Er verliepen twintig minuten, en toen kwamen de meisjes tegelijk binnenstormen. „Het middel heeft gewerkt, mijnheer! Vader is bewusteloos, kom spoedig mede!” Raffles volgde de beide meisjes naar een kamer op de eerste verdieping, waar hij Macmillan in een gemakkelijken stoel vond zitten, den geledigden kop thee voor zich. Zijn gelaat was volkomen rustig, de oogen waren gesloten, het lichaam was slap en gemakkelijk te hanteeren. Raffles voelde hem even den pols, tilde de oogleden op, legde de hand op de borst en knikte tevreden. „Op een normaal persoon zou mijn middeltje niet den minsten invloed hebben gehad, Miss Rose,” zoo wendde hij zich tot de oudste dochter van Macmillan. „Maar op het door opium ondermijnde gestel van Uw vader werkte het met bliksemsnelheid, zooals gij ziet!” „Maar het kan immers geen kwaad, mijnheer Hatchock?” „Niet in het minst, Miss, ik verzeker het u. Als ik uw vader het tegenmiddel ingeef, zal er een half uur verloopen en dan zal hij volstrekt geen onaangename nawerking bespeuren. En kleed u nu spoedig voor de reis. Trek warme kleeren aan—wij vliegen zeer hoog en de koude daarboven zal u sterk tegenvallen. Neem maar gerust een bontjas en een paar dikke jekkers mede, een paar plaids en bouffantes. Voor andere bagage behoeft gij in het geheel niet te zorgen.” De beide meisjes ijlden weg en Jerry ging dikke overkleeren voor zijn meester halen, een paar jachtlaarzen, zijn eigen geweer en nog wat andere benodigdheden. Dit alles werd naar de auto gebracht en daarna werd de bewustelooze Macmillan niet zonder moeite door Raffles en zijn ouden bediende in de auto gedragen. Rose en Ellen kwamen aanloopen, namen zelf plaats, Raffles ging naast den chauffeur zitten en de tocht naar Hendon begon, maar niet dan nadat Raffles Charly telefonisch had gewaarschuwd, dat de reis door bijzondere omstandigheden aanzienlijk vervroegd was. BEHOUDEN AANKOMST. Charly had gebruik gemaakt van de snelste auto en daar Henderson haar bestuurd had, was de jonge man reeds een half uur op het vliegveld, voordat daar de huurauto aankwam, bestuurd door een chauffeur, die allesbehalve in zijn humeur was wegens den langen rit, maar wiens stemming onmiddellijk omsloeg, toen Raffles hem twee souvereigns in de hand stopte. „Gij zijt immers niet bang, meisjes?” zoo wendde Raffles zich glimlachend naar Rose en Ellen, toen zij naar de loods liepen, terwijl Henderson en Charly bij den bewustelooze achterbleven, die voorzichtig op een deken was neergelegd. „Bang? In het geheel niet, mijnheer, wij zijn allen bijzonder nieuwsgierig,” antwoordde Rose glimlachend. „Het komt ons nog altijd voor als een verhaal uit een sprookjesboek, dat wij binnen anderhalf etmaal het andere halfrond kunnen bereiken.” „In twee en dertig uren, Miss,” verbeterde Raffles. „Maar—wilt gij ons dan niet zeggen, welken weg gij volgt?” vroeg Ellen. „Voor het allergrootste gedeelte is die weg geen geheim, Miss—wij zullen vliegen over Nederland, dat wil zeggen de Friesche Wadden, Sleeswijk Holstein, Wilna, Orenburg, op de grens van Siberië, over een deel van Turkestan, dwars over heel China, over de Zuid-Chineesche zee, over de Philippijnen en over Nieuw Guinea. Wat er dan komt—dat moet ik tot mijn spijt geheim houden. Maar als dat laatste land achter den rug is, dan hebben wij het doel van onze reis bijna bereikt.” „Het is mij, alsof ik droom,” zeide Rose. „O, hoe heerlijk zou ik die reis hebben gevonden, als wij haar onder andere omstandigheden ondernamen.” „Misschien zal dat nog wel eens geschieden, Miss—later.” De loods werd geopend en nadat de twee meisjes bij het lichaam van hun vader neergeknield waren en hem vol liefde aanstaarden, trokken Raffles en Charly en Henderson de ranke vliegmachine uit de loods te voorschijn. Er was een waker van het veld komen toeloopen, met een lantaarn gewapend, die niet veel begreep van dit nachtelijk gedoe, maar Raffles zond den man met een goudstuk in de hand spoedig weer weg, onder voorgeven, dat zij een vriend, die ernstig lijdende was, ten spoedigste naar een specialiteit te Parijs moesten overbrengen. De waker kende Charly Brand en Henderson, den Chauffeur van Lord Aberdeen, heel goed en daarom maakte hij niet het minste bezwaar maar verdween, zeer tevreden met zijn goudstuk. Het geweer, de waterlaarzen, de dekens en wat er nog verder was meegebracht, werd ingeladen, de meisjes klommen langs de smalle stalen ladder aan boord van de vliegmachine, waarvan de aluminium romp zacht glansde in het licht van de electrische booglamp, die dit gedeelte van het terrein verlichtte, en daarna werd de bewustelooze voorzichtig aan boord getild, gemakkelijk neergevlijd in een der zetels, waarvan de rug bij wijze van ziekenstoel achterover geklapt kon worden en met dekens en plaids warm ingestopt. Charly wenkte Henderson een vaarwel toe, terwijl Raffles achter het stuurwiel plaats nam, een hefboom werd overgehaald, de schroef begon te draaien en pijlsnel schoot de vliegmachine over het veld, en steeg toen bijna rechtstandig de lucht in. Met eenige verwondering zagen de meisjes, hoe de grijsaard met zijn spierwit haar met krachtige hand de vliegmachine bestuurde, alsof hij een jonge man was niet ouder dan vijf en twintig jaar. Maar ondanks den ernst van den toestand slaakten zij een kreet van bewondering bij het wonderbare schouwspel, hetwelk het nachtelijke, helder verlichte reusachtige Londen opleverde. Het was een verrukkelijke nacht, de maan stond aan den hemel, de lucht was zeer helder en tot op tientallen mijlen in het rond kon men de lichten van de wereldstad zien. Maar reeds vijf minuten later was er van dit alles niets meer te bespeuren en daaruit konden de luchtreizigers opmaken, dat zij verbazend snel moesten vliegen. En nu pas, nu zij over hun eerste zenuwachtigheid en hun eerste verbazing heen waren, merkten de twee meisjes Charly Brand op, die, dik in pelzen gewikkeld, naast den man met het witte haar zat. Zij begrepen evenwel, dat hij een vriend moest zijn van den geheimzinnigen helper, die zoo plotseling in hun leven was verschenen. Op dit oogenblik draaide Charly zich juist om en beduidde hun met vriendelijke gebaren, hoe zij de ruggen van hun zetels konden doen omklappen en ze aldus veranderen in gemakkelijke rustbanken. De meisjes waren vermoeid, het was nacht, zij zouden toch niets zien en daarom kozen zij de wijste partij, volgen de aanwijzingen van Charly op en wikkelden zich dicht in de warme dekens en plaids. En intusschen snelde de „Duivel der lucht” met ontzaggelijke snelheid door het luchtruim, en toen het in het Oosten begon te dagen, om vier uur in den morgen, toen zweefde de vliegmachine boven de Russische steppen, een twintigtal kilometers ten Zuid Oosten van Wilna, en op een hoogte van meer dan drieduizend meter. Charly wierp een blik achter zich nadat hij zelf eenige uren geslapen had. In de schemering zag hij de drie beweginglooze lichamen van de beide meisjes en Jerry liggen. Blijkbaar sliepen zij nog gerust. Wat Jeffries Macmillan betreft—hij had evengoed dood kunnen zijn, want hij lag nog altijd juist in dezelfde houding achter in het lange, gemakkelijke schuitje, onder het schuine dak van aluminium en mica, dat hem tegen de hevige koude beschermde, welke op deze hoogte heerschte. Charly rekte zich eens goed uit, schudde als het ware de stijfheid van zich af, die iedereen bevangt wanneer hij moet slapen in deze ongunstige omstandigheden—op drieduizend meter hoogte en op een smalle, nogal harde rustbank in de openlucht en bedacht daarna, dat het goed zou zijn, voor een kop heete chocolade te zorgen, en dat een paar snede geroosterd brood met kaas en een gekookt ei waarschijnlijk ook niet onwelkom kon zijn. Nu, dat alles te bereiden kostte niet veel moeite. Daartoe behoefde Charly slechts achter zich en naast zich te reiken, hier een lade open te trekken en daar het deurtje van een kleine proviandkast te openen, waarop hij slechts een stopcontact had te sluiten, om den kleinen electrischen oven in werking te brengen. Met behulp daarvan kon hij water koken, en in dat water eenige eieren. De electrische broodrooster zorgde voor een paar sneden heerlijk knappend brood. Toen dit alles gereed was, zette hij een en ander voor Raffles gereed, na zelf snel wat te hebben gegeten, en nam hem daarna het stuurwiel uit de hand met de in zijn oor schreeuwende woorden: „Ga nu slapen, Edward. Het is mijn beurt. Ik zal ons wel dwars over Rusland en Siberië heen brengen. Wij moeten onze krachten zooveel mogelijk verdeelen.” „Je hebt gelijk, slapen de kinderen nog?” „Als rozen. De oude Jerry ook. Hij gedraagt zich, alsof hij zijn geheele leven niet anders gedaan heeft, dan aan boord van een vliegmachine te slapen.” „Dat getuigt van zijn goed geweten,” zeide Raffles glimlachend, terwijl hij den kop heete chocolade aan zijn lippen bracht en gretig in het geroosterde en dik geboterde brood beet. Toen hij gereed was met zijn maal, dat voor hem een souper zou zijn, richtte hij zich weder tot Charly en zeide: „Tracht zooveel mogelijk de route te volgen, welke wij gisteren op de kaart hebben aangeduid, hoe eerder wij de plaats van bestemming hebben bereikt, hoe beter het zal zijn voor de meisjes en ook voor den bewustelooze. En nu ga ik eenige uren slapen. Denk er om, dat je mij niet langer dan vier uur in slaap laat!” Charly knikte Raffles toe en een oogenblik later had deze zich uitgestrekt op zijn eigen rustbank, een dikke deken over zich heengetrokken en eenige seconden later sliep hij even gerust, als wanneer hij zich in zijn eigen bed in de fraaie slaapkamer in de Regent Street had bevonden. Charly had met vaste hand het stuurwiel gegrepen en bracht de vliegmachine, die nog altijd met onverminderde vaart door de lucht voortstoof met een onbegrijpelijke snelheid, waarvan echter hier op deze hoogte niets te merken viel, daar de luchtreizigers geen aanknoopingspunt hadden, en eenige uren later kwam Orenburg reeds in het gezicht. Juist toen de Duivel der lucht de grens passeerde, meende Charly eenige beweging achter zich te vernemen. Hij wendde even het hoofd om en zag dat Rose en Ellen overeind waren gaan zitten en hem glimlachend toeknikten. „Zij zijn gelukkig niet bang,” mompelde Charly voor zich heen. „Het zijn flinke meisjes, dat is zeker.” Hij wenkte Rose naast hem te komen en op de knieën kruipend, zich vasthoudend aan de zijwanden van de soort van bak, waarin zij zich bevonden, begaf het meisje zich naar den stuurstoel, zoodat Charly haar kon toeschreeuwen: „Daar is de electrische oven. In dat kastje zijn eieren, een paar blikjes ham, brood en boter. Gij vindt er ook cacao en een keteltje om water te warmen. Ziet gij nu kans om zelf het ontbijt klaar te maken!” Rose knikte vroolijk en vroeg, de kleine handen om den mond stulpend: „Zijn wij al ver?” „In Siberië, Miss,” antwoordde Charly lakoniek. „Lieve hemel, hoe laat is het dan wel?” „Het is zooeven acht uur geweest, Miss!” „Dus in acht uren tijds....” „Zijn wij over Nederland, Denemarken, de Oostzee en Rusland gevlogen.” „Dat is om bang van te worden,” kwam Rose. „Het is niets dan een kwestie van gewoonte, Miss,” riep Charly terug, „maar haast u nu met het ontbijt, want uw zuster en gij zult wel honger hebben.” En een oogenblik later was het jonge meisje bezig met de electrische inrichting, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, en alsof zij zich op den beganen grond bevond. Men kon wel zien, te doen te hebben met een jong meisje, dat veel aan picknicken deed en gewend was, zelf de handen uit de mouw te steken en zich te behelpen als het noodig was. Jerry was nu ook wakker geworden en het had maar een haar gescheeld, of de goede oude man, die niet dadelijk wist waar hij was, had zijn been over den rand van het schuitje geslagen, in de stellige overtuiging, dat hij in zijn bed lag. Maar Ellen trok hem bijtijds aan zijn mouw en schudde hem eens goed heen en weer, en toen keek het drietal nieuwsgierig en vol belangstelling naar beneden, naar de aarde, die zich op grooten afstand onder hen uitbreidde. Daar een ontdekking hier toch geen gevolgen na zich zou slepen, liet Charly de machine tot op vijftien honderd meter dalen en nu waren de meisjes verrukt over het mooie schouwspel, dat zich onder hen vertoonde. Het gebied van de Kirgiezen ontrolde zich onder de vliegmachine en juist naderden zij de vruchtbare boorden van de Sarysu. Maar nauwelijks waren zij over deze rivier gevlogen, of reeds doemde aan het eind het meer van Balchasch op, van een verrukkelijk blauwe kleur en omringd door groene bergen. Maar nu moest de machine snel weder op groote hoogte stijgen, want daar teekende zich reeds de kammen van „Het Hemelsche Gebergte” af, de Tien Shan der Chineezen, welke Siberië van het ontzaggelijke Chineesche rijk scheidt en dat zich op sommige plekken tot drie en vierduizend meter verheft. De koude nam snel toe, maar de beide meisjes merkten er weinig van, zoozeer werden zij in beslag genomen door de aanschouwing van het heerlijke schoone sneeuwlandschap, dat zich onder hen uitstrekte, want zij waren reeds ver boven den sneeuwgordel en hier waren alle bergtoppen met een rein witte wade bedekt, waarop de zon een schitterend kleurenspel tooverde. Maar hoe kort duurde het genieten van dit tafereel. Met razende snelheid suisde de vliegmachine over het gebergte en nu pas kon men inderdaad iets van die snelheid bemerken. Maar niet zoodra had men het gebergte achter zich gelaten, of Charly liet de machine opnieuw aanzienlijk dalen en opgetogen beschouwden de luchtreizigers, die op zulk een onverwachte wijze door het lot hierheen waren gevoerd, het landschap waarop zij den blik konden vestigen, op een hoogte van iets meer dan 1000 meter, zoodat geen enkele bijzonderheid hen ontging. De Duivel der lucht vloog met ongestoorde snelheid over dorpen en steden, over meren en rivieren, over drukke marktplaatsen, zoowel als over uitgestrekte woestijnen en nu en dan moest Charly weder stijgen, teneinde de vliegmachine veilig over de bergen te brengen, waarvan die van Kwen-Lun de voornaamste waren. Toen de vliegmachine het laatstgenoemde gebergte overvloog, was het vier uur in den middag. De Duivel der Lucht was dus zestien uur onderweg. Raffles was natuurlijk reeds lang wakker en nu en dan had hij de beide meisjes opmerkzaam gemaakt op sommige belangrijke punten, welke zij bliksemsnel naderden en weder achter zich lieten. Ook had hij eenmaal omgezien naar Macmillan, maar deze had zich zelfs niet bewogen en alleen zijn rustige ademhaling bewees, dat hij tot de levenden behoorde. De duisternis begon te vallen, toen de vliegmachine het geweldige gebergte achter den rug had, hetwelk het grootste deel van China’s Oostkust overdekt en dat door tallooze rivieren doorsneden wordt. En ten Noorden van het eiland Hai-Nan stevende zij onverschrokken de Zuid-Chineesche Zee tegemoet. Er was nu niets meer te zien, en iedereen, die zich niet met het sturen had te bemoeien, in dat geval weder Raffles, begaf zich opnieuw ter ruste. De tocht over de Zuid-Chineesche Zee, de Philippijnen, de zee van Celebes en van Nieuw Guinea werd volbracht, zonder dat iemand, behalve Raffles, er iets van merkte. Hijzelf had op het compas moeten sturen, maar hij was er zeker van, dat hij zich geen tiende deel van een graad zou hebben vergist. En weer onderging Raffles de zonderlinge gewaarwording, welke iedereen moet gevoelen, die met ontzaggelijke snelheid het Oosten tegemoet reist, met het gevolg, dat hij de dagen en dus ook de zon veel langer ziet. Het was, altijd volgens zijn horloge, hetwelk hij volstrekt niet verzet had, zes uur in den morgen, toen de Duivel der Lucht boven de uiterste Oostpunt van Nieuw Guinea zweefde, en toen was het op dit gedeelte van de wereld juist een half etmaal later. Maar met de maaltijden hadden de luchtreizigers hiermede geen rekening gehouden, zij hadden gegeten wanneer zij honger hadden. De beide meisjes werden op dit oogenblik wakker, wreven zich de oogen uit en keken nieuwsgierig naar beneden. Maar zij zagen niets dan water en nog eens water, van een heerlijke diepblauwe kleur, zooals men zich altijd Italiaansche meren voorstelt. Maar in de verte doemden kleine stippen en vlekken op, dat waren de ontelbare eilanden, die hier als het ware in zee gestrooid lijken te zijn door een reuzenhand. Raffles liet nu de machine zeer aanzienlijk rijzen en nu was er niets meer te zien, noch van de eilanden, noch van de zee, want een wolkenbank breidde zich tusschen de machine en de aarde uit. Anderhalf uur later daalde Raffles weder, de zee werd nu zichtbaar, hij raadpleegde nauwkeurig de kaart, die voor hem was opgehangen, en nu begon hij in groote kringen te dalen. Daarginds aan den gezichtseinder, op ongeveer acht kilometer afstand, doemden de vormen van een eenzaam eiland op. Het geleek nu nog een stip, maar zienderoogen werd het grooter, van een stip werd het een vlek, en toen verkreeg het een duidelijk te herkennen vorm: langgerekt en eenigszins gebogen in den vorm van een boomerang. En tien minuten later streek de machine neder in het midden van een geurige weide, waardoor een vriendelijk klaterend beekje zich een weg baande. Aan het einde van dit weiland verhief zich een kleine houten hut, stevig gebouwd en omringd door een soort tuintje. Raffles had de machine tot stilstand gebracht, wipte snel op den grond en hielp de meisjes bij het uitstappen. Zij waren geheel verstijfd, maar een kwartier loopen zou den bloedsomloop wel weder geheel herstellen. Voorzichtig droegen Raffles, Charly en Jerry den bewusteloozen Macmillan uit de vliegmachine over het weiland in de hut en legden hem daar op een gemakkelijke rustbank. En toen nam Raffles de beide meisjes weer mee naar buiten en begon, terwijl hij met flinken pas met hen op en neer liep: „Luister nu eens, Miss Rose en ook gij, Miss Ellen. Gij ziet, dat ik dusverre mijn woord heb gehouden, en als alles goed gaat, dan kunt gij over twee maanden uw goeden vader weder geheel genezen in de armen sluiten. „Ik zal een brief voor hem achter laten, dien Jerry hem ter hand moet stellen, zoodra hij uit zijn bewusteloosheid ontwaakt is.” „Maar mogen wij daar dan niet bij zijn, mijnheer?” vroeg Ellen op smeekenden toon. „Ik had de vraag wel verwacht, Miss, en ik moet er weigerend op antwoorden, hoeveel leed het mij ook doet. Bedenk toch zelf eens, hoezeer het uw vader zou smarten, als hij reeds nu onzen kleinen toeleg doorzag. Hij zou niet van u willen scheiden, hij zou mede terug willen en gij zoudt misschien de kracht missen om hem te weerstaan. Zeg eens eerlijk—heb ik het niet bij het goede einde?” Ellen boog het hoofd en haar stilzwijgen antwoordde voor haar. „Ik zal uw vader, zoodra gij voldoende hersteld zijt van de vermoeienissen van de reis en alles hier hebt opgenomen, het middel toedienen, en gij belooft mij, dat gij u dan dadelijk met mij inscheept. Ik van mijn kant doe u de toezegging, dat wij hier zullen blijven rondvliegen, totdat Jerry door het wuiven met zijn zakdoek ons te kennen heeft gegeven, dat uw vader ontwaakt is en zich in goeden welstand bevindt. Hebt gij daar vrede mee?” „Gij zijt een goed, een edel mensch, mijnheer,” riep Ellen uit, met een spontane beweging sloeg zij den armen om den hals van den gewaanden grijsaard en drukte hem een stevigen kus op de wang. Raffles maakte de teedere armen om zijn hals zachtjes los en zeide op eenigszins heeschen toon: „Dat moet gij niet doen, Miss. Ik heb het werkelijk niet verdiend. Gij weet immers niet eens, wie ik ben!” „Dat weet ik wel,” riep Ellen levendig uit. „Ik heb het u zooeven reeds gezegd, gij zijt een edelmoedig mensch en wij zijn u ons geluk verschuldigd!” „Loop niet op de gebeurtenissen vooruit, Miss—wij moeten nog afwachten, of uw vader de ziekte zal doorstaan, die hem ongetwijfeld zal overvallen, wanneer hij zich zoo plotseling van opium verstoken ziet. En nu zullen wij alles eens gaan uitladen, wat hij en Jerry noodig hebben.” Charly en Jerry werden geroepen en nu werden de levensmiddelen, lucifers, patronen, geweren, dekens, een paar spaden en andere voorwerpen naar de hut gedragen. Daar stonden reeds de onmisbare meubelen, een tafel en eenige stoelen, een paar bedden, een kast met vaatwerk, en zoo voorts. Toen dit alles zoo geschikt was, werd op het gras in de buitenlucht een stevige maaltijd gebruikt, door Jerry en Charly bereid en daarna werd een korte wandeling over het eiland gemaakt, want binnen een uur zou het geheel duister zijn en dan moest de terugreis aanvaard zijn, maar Raffles nam zich voor, dadelijk daarna op een ander eiland, waar ook hij alleen meester was, opnieuw te dalen en de vermoeide meisjes in de gelegenheid te stellen zich door een ongestoorde nachtrust voor te bereiden op de bezwaren van de terugreis. Rose en Ellen waren verrukt over de verblijfplaats, waar hun vader twee maanden zou vertoeven—over het prachtige geboomte, de malsche weiden, de heldere beekjes met hun kristalklaar water, de wilde geiten, de boschvarkens, die zij zagen voorbij snellen, de schelkleurige papegaaien en zelfs over den reuk van de cacaoplanten en de tamarindebloesems. Zoodra men was teruggekeerd, diende Raffles den bewusteloozen Macmillan het tegenmiddel toe, de meisjes namen weenend afscheid van den trouwen Jerry, die zelf zijn tranen niet kon bedwingen, Raffles wachtte nog een kwartier en toen de eerste huiveringen over het onbewegelijke gelaat van den bewusteloozen man begonnen te loopen, voerde hij Rose en Ellen snel met zich mede, en eenige minuten later steeg de vliegmachine boven het eiland. Tien minuten bleef zij in groote kringen op een hoogte van driehonderd meter rondcirkelen en toen kwam er een man uit de hut snellen, die met een grooten witten zakdoek zwaaide.... HET EINDE VAN EEN SCHURK. Een maand was verloopen, en Raffles en Charly hadden in dien tijd al weder menig avontuur beleefd. Zij waren in dien tijd in het geheel driemaal naar Mysteria geweest, telkens met de vliegmachine en nu in gezelschap van Henderson, teneinde zich te overtuigen dat alles in orde was. Eenmaal hadden zij de kans gezien met Jerry te praten, die alleen in de hut was, terwijl zijn meester ver weg aan het jagen was en deze had hun met tranen van dankbaarheid in de oogen medegedeeld, dat Macmillan op den weg naar een volkomen beterschap was, krachtiger, gezonder en levenslustiger was geworden. Hij was zeer ziek geweest, bijna een week lang, maar Jerry had hem opgepast, hem de middelen toegediend welke Raffles bij hem had achtergelaten en aan hem was de overwinning gebleven. Sinds dien was Macmillan voortdurend vooruitgegaan, en hij had zelfs reeds verzekerd, zich sterk genoeg te gevoelen, om nu reeds naar Londen terug te keeren. Maar Raffles wilde het zekere voor het onzekere nemen en de drie reizigers waren gegaan, zooals zij gekomen waren. Maar in Londen hadden de zaken een onverwachten keer gekregen. Rose en Ellen hadden zich op dringend verzoek van Raffles volstrekt niet uitgelaten over de zonderlinge reis, welke zij in gezelschap van hun vader hadden gemaakt—en het natuurlijk gevolg was geweest, dat de bladen veertien dagen na het vertrek van Jeffries Macmillan volstonden met berichten over „De zonderlinge verdwijning van een schatrijken stadgenoot.” Er waren reeds vele reporters in het groote huis aan de Portland-Place geweest en aan hen allen hadden de twee meisjes medegedeeld, dat hun vader een verre reis maakte, hoewel zij niet wisten waarheen en dat zij zich daarom volstrekt niet ongerust maakten. Maar er was een man, die zich wel ongerust wilde maken, omdat nu eenmaal zoo in zijn kraam te pas kwam en die man was George Spider. Hij was advocaat geweest en hij kende de wet op een prik. Hij wist, dat als de verdwijning een maand geduurd had, het fortuin van den verdwenene van rechtswege beheerd zou moeten worden, ten bate van de beide dochters van Macmillan en hij wist ook, dat zeer waarschijnlijk, ja zeker, de rechtbank hem tot toeziend voogd en tot curator zou aanstellen. Er was dan ook geen dag verloopen, na afloop van den termijn, of Spider meldde zich bij zijn nichtjes aan. Hij werd in de groote ontvangkamer gelaten en begon daar voorzichtig, met lijzige stem en zoetsappige manieren, zijn voornemens uiteen te zetten, om als voogd van de twee meisjes op te treden. Deze hadden zwijgend toegeluisterd en op haar gelaat was duidelijk de afkeer te lezen, welken zij instinctmatig voor dien man met zijn bleek gelaat en zijn saterkop gevoelden. Toen Spider zweeg, zeide Rose eenvoudig: „Wij danken u voor uw aanbod, oom George, maar wij zullen er geen gebruik van maken. Wij wenschen iemand anders tot voogd.” Een leelijke glimlach plooide de dunne lippen van Spider. „Ik geloof, dat ik zijn naam wel kan raden. Het is zeker de oude gek van een Hatchock, die hier tegenwoordig zoo vaak aan huis komt?” „Daaromtrent behoef ik u niets mede te deelen,” hernam Rose koeltjes. „Nu, gij kunt het probeeren, maar ik denk, dat gij aan het kortste eind zult trekken, nichtje, de Rechtbank kiest altijd in de eerste plaats den naasten bloedverwant. Denk er nog maar eens over na—gij zult wel tot andere gedachten komen. Het geld van uw vader kan niet langer onbeheerd blijven, zijn zaken loopen in de war!” Rose haalde de schouders op en gaf geen antwoord. En George Spider greep zijn hoed en verdween. Hij zelf wist eigenlijk niet goed, wat hij van de verdwijning van Macmillan moest denken. Hij vermoedde echter, dat zijn neef in een aanval van wanhoop een eind aan zijn leven had gemaakt door in de Theems te springen. Maar daarvan was hij in het geheel niet zeker. Want Jerry was immers ook verdwenen! Het was zeer wel mogelijk, dat zijn neef inderdaad op reis was gegaan, waarom zouden zijn nichtjes er ook om liegen? Maar hoe dan ook, hij begreep, dat het van het grootste belang was, zich nu aanstonds een warm plaatsje te verzekeren in het huis van zijn neef, dicht bij zijn brandkast, want die oude bemoeial van een Hatchock zou wel eens roet in het eten kunnen gooien. George Spider wist, dat hij een hoog spel speelde—hij stond aan den rand van den afgrond, met zijn geldmiddelen was het ellendig gesteld en hij moest dezen slag winnen, anders was zijn bestaan ten gronde gericht. Hij begaf zich dan ook dienzelfden dag naar den President van de Rechtbank welke over dergelijke zaken te beslissen had en vernam van dezen magistraat, dat Rose inderdaad reeds tot hem het verzoek had gericht, Jerome Hatchock tot toeziend voogd en curator te benoemen. Spider schrok niet weinig, want hij begreep dat hij juist bijtijds was gekomen. Hij zette den Rechter de familieomstandigheden uiteen en toen deze vernam, dat Spider de eenige naaste bloedverwant was, een eigen oom van den verdwenene, toen mocht hij niet aarzelen, maar benoemde nog dienzelfden dag den schurk tot curator en voogd. En den volgenden morgen nam Spider zijn intrek in het huis van zijn neef, liet diens secretaris zijn aanstelling zien, deed zich de sleutels overhandigen, kortom hij installeerde zich als heer des huizes. Met angst en woede in het hart hadden de beide meisjes dit aangezien, maar zij begrepen wel, dat zij tegen een besluit van de Rechtbank toch niet zouden kunnen opkomen. Maar zij deden iets beters—zij stelden dadelijk hun trouwen beschermer op de hoogte en van dat oogenblik af werden zij nauwkeuriger bewaakt, dan dat het door Scotland Yard had kunnen geschieden. En Spider werd, zonder dat hij er het flauwste vermoeden van had, nauwkeurig in het oog gehouden. Al zijn gangen buitenshuis werden nagegaan en zijn transacties aan de beurs waren Raffles evengoed bekend als zijn eigen ondernemingen. Maar Spider scheen wel te begrijpen, dat er voorloopig niet aan te denken viel, iets met het geld uit te richten, dat hem niet toekwam, want men zou hem in den aanvang wel goed op de vingers zien. Maar de ellendeling begon zich te gewennen aan de weelde, die hem omringde, en het denkbeeld, dat hij het geld misschien ooit weder zou moeten afstaan, was hem onverdragelijk. Er waren nu nog twee weken voorbijgegaan en nog altijd was Macmillan niet teruggekeerd, evenmin als de oude Jerry. Hun lijken waren ook niet gevonden en toen maakte zich een schrikbeeld meester van Spider, het schrikbeeld van een onverwachten terugkeer! Misschien waren zij toch wel degelijk op reis, al had niemand daar iets van geweten—en dan zouden zij wel eens terug kunnen keeren—hij zou zijn gemakkelijken stoel in het weelderige werkvertrek weder moeten prijsgeven, hij zou geen dure sigaren meer kunnen rooken, niet meer in de prachtige auto van zijn neef kunnen rijden, in het kort, zijn rijk zou uit zijn! Maar nooit—nooit zou hij daarin toestemmen! En zijn hersens peinsden over middelen, om dit te voorkomen. Hij besefte vaag, dat er iets gebeurd moest zijn, dat zijn belangen wederstreefde—dat Macmillan zich had weten te ontworstelen aan de greep van de opium en als dat werkelijk het geval was, als hij weder een normaal, krachtig mensch zou worden, dan zou hij, Spider, natuurlijk verloren zijn! Rusteloos dacht hij na—en tenslotte meende hij het te hebben gevonden. Hij verbaasde er zich zelf over, dat dit denkbeeld niet eerder bij hem had postgevat. Rose was een week of drie geleden jarig geweest, zij was nu negentien jaar—hij zou haar ten huwelijk vragen en alles was geregeld. In geval Macmillan inderdaad terugkeerde zou hij hem als zijn schoonzoon moeten aanvaarden en het geld zou voor hem niet verloren zijn. Spider was er de man niet naar om te treuzelen met de uitvoering van een plan, hetwelk hij zich eenmaal in het hoofd had gehaald. Van dien dag aan begon hij Rose met attenties overladen. Nu eens bracht hij een fraaien ruiker voor haar mede, dan eens noodigde hij haar uit, om hem naar den schouwburg te vergezellen, wat het jonge meisje echter nooit anders deed dan in gezelschap van haar zuster, dan weder nam hij haar mede op een autotochtje en eenmaal had hij haar zelfs een fraaien armband ten geschenke gegeven. Aanvankelijk begreep Rose niet goed, wat deze plotselinge verandering in het tamelijk onvriendelijke gedrag van haar oom eigenlijk moest beteekenen, maar het duurde niet lang, of zij doorgrondde de waarheid, en toen deinsde zij daarvoor terug alsof zij op een adder getrapt had. De dagen verliepen en steeds duidelijker trad het voornemen van Spider aan het licht. Rose had van dit alles echter niets durven mededeelen aan haar ouden trouwen vriend Hatchock, want dat verbood haar vrouwelijke schroom. Ja, als zij nog maar een moeder had gehad, dan zou zij aan haar wel haar hart hebben uitgestort. Maar nu moest zij dit alles in haar binnenste bewaren en slechts hopen op de spoedige terugkomst van haar vader. Het was nu juist twee maanden geleden sedert de vliegmachine met Macmillan naar Mysteria vertrokken was en omstreeks vier uur in den middag toen Spider zonder kloppen het vertrek binnenkwam, waar Rose zich ophield, bezig met een handwerkje. Het jonge meisje dacht aan haar vader en zij telde de uren, die hen nog van zijn terugkomst zouden scheiden. Het drukte haar zwaar, dat zij over zijn verblijfplaats moest zwijgen, maar over een paar dagen, morgen misschien reeds, zou alles goed zijn. Zij keek verschrikt op, toen Spider binnentrad, bleeker nog dan anders en voor de deur bleef staan. „Wat is er oom?” vroeg zij terwijl zij toornig de wenkbrauwen fronste. „Sedert wanneer treedt men onaangediend mijn vertrek binnen?” „Kom, kom, meisje, niet dat booze gezicht. Dat staat je niet. Ik ben toch je oom, ik mag mij wel eenige vrijheden veroorloven—en je weet nu toch wel, welke gevoelens mij tegenover je bezielen!” „Ja, dat weet ik maar al te goed!” riep Rose schamper uit. „Ik zou wel blind moeten zijn, als ik het niet gemerkt had.” „Welnu, dan kunnen wij wel recht op het doel afgaan. Je weet, dat ik je lief heb, Rose en ik kom nu je antwoord halen op mijn onuitgesproken verzoek, wil je mijn vrouw worden?” „Neen oom,” antwoordde Rose kortaf en zij boog zich weder over haar werk. „Neen?” herhaalde Spider langzaam, terwijl hij een stap achteruit deed en de armen over de borst kruiste. Er was een leelijke boosaardige glimlach op zijn gelaat verschenen. „Neen?” herhaalde hij nog eens. „Kom, kom, dat antwoord kan toch niet beslissend zijn.” „Het is beslissend, oom,” antwoordde Rose vastberaden. „Praat hier nooit meer over en laat mij nu alleen, wat ik u verzoeken mag!” „Je alleen laten, mijn hartje? dat kun je niet meenen. Ik heb je lief en ik laat mij niet zoo afschepen. Ik zeg je—je zult mijn vrouw worden!” Rose sprong toornig op, wierp haar borduurwerk weg en wees met een gebiedend gebaar naar de deur. „Verlaat nu onmiddellijk dit vertrek, mijnheer—uw aanwezigheid walgt mij!” „O, dat zal wel veranderen,” hernam Spider op sarrenden toon, terwijl hij een stap naderbij kwam. „Ga heen—of ik schel de bedienden!” „Daarbij zoudt gij toch eerst bij het schellekoord moeten kunnen komen!” hernam Spider. „En zoudt gij mij dat beletten?” „Wel zeker, ik zou geen oogenblik aarzelen. Trouwens, alle bedienden zijn uit—ik heb hen met opzet weggezonden. En ook je zuster is er niet!” Rose verbleekte en stamelde: „Wat heeft dat te beteekenen?” „Dat beteekent, schoon kind, dan zal ik je dwingen mijn vrouw te zijn, als je niet vrijwillig mij het jawoord geeft.” Er lag nu zulk een afschuwelijke uitdrukking op het Satergezicht van den ellendeling, dat Rose bleek en bevend op dezelfde plek bleef staan. Het was haar, alsof zij in een diepen kuil zag, gevuld met de afzichtelijkste slangen, die haar met hun oogen duivelachtig aanstaarden. „U—u zoudt durven—” stamelde zij eenige malen achtereen, nauwelijks wetend wat zij zeide. „O, ik durf alles!” hernam Spider met een hatelijk lachje. Hij was met een paar stappen bij het jongemeisje en greep haar in zijn armen. Hij droeg haar half, sleepte haar half naar de sofa die tegen een der wanden stond. Rose streefde tegen, maar zij gevoelde dat haar krachten haar snel begaven. Het was haar, of een roode nevel voor haar oogen kwam. Uit instinct verweerde zij zich zwakjes. Spider had het machtelooze lichaam op de sofa geworpen. Hij boog zich met een glans van duivelschen lust in zijn oogen over haar heen en strekte de bevende hand naar haar boezem uit, toen eensklaps een geluid in de gang hem onbewegelijk stil deed staan. Hij sperde zijn oogen open, als zag hij een geestverschijning, en toen kwam het rochelend van zijn lippen: „Die stem—die vervloekte stem. Hij is dus teruggekomen. En zijn stem klinkt luid en sterk. Hij is genezen. Verdoemd—hij is genezen!” Met een gillenden lach was hij de kamer uit. Hij snelde naar zijn eigen vertrek, rukte een lade open van zijn schrijftafel, nam er een revolver uit, zette het wapen tegen zijn slaap en drukte af.... Eenige minuten later drukten vader en dochter elkander weenend in de armen. Rose hield een volkomen gezonden, sterken, genezen man aan haar borst geklemd. En op den achtergrond stond Jerry, van vreugde en geluk weenend. Maar van den man met het witte haar was in het geheel niets meer te zien, evenmin als van zijn metgezellen. En nimmer zou Jeffries Macmillan weten, wie eigenlijk Jerome Hatchock geweest was—en of hij wel ooit bestaan had! *** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 79422 ***